ECLI:NL:RBOVE:2021:1161
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de taaleis in de bijstand en de rechtmatigheid van de taaltoetsverplichting
Eiser, een bijstandsgerechtigde met de Nederlandse nationaliteit en geboren in Turkije, werd door de gemeente Enschede aangemeld voor een taaltoets om zijn beheersing van de Nederlandse taal te toetsen. Eiser maakte bezwaar tegen deze verplichting en stelde dat de taaleis discriminerend en in strijd met diverse nationale en Europese rechtsnormen zou zijn.
De rechtbank oordeelde dat de brief van 8 november 2018 een besluit is dat eiser in zijn rechtspositie raakt en dat het beroep daarom ontvankelijk is. De rechtbank kon echter artikel 18b van de Participatiewet niet toetsen aan artikel 1 van Pro de Grondwet vanwege de toetsingsverbod op formele wetgeving. Ook slaagden de beroepen op het Handvest van de EU, de Richtlijn 2004/38/EG, de Associatieovereenkomst EEG-Turkije en de Richtlijn 2000/43/EG niet.
De rechtbank overwoog dat de taaleis een indirect onderscheid kan maken, maar dat dit onderscheid gerechtvaardigd is door het legitieme doel van het bevorderen van uitstroom uit de bijstand en arbeidsmarktparticipatie. Het middel staat in redelijke verhouding tot het doel. Eiser had niet aannemelijk gemaakt dat hij het vereiste taalniveau beheerst, en het eerdere afleggen van een taaltoets in 2007 ontslaat hem niet van de nieuwe toetsverplichting. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de verplichting tot het afleggen van een taaltoets wordt ongegrond verklaard.