Op 19 juli 2019 werd aan betrokkene een sanctie opgelegd van €95 wegens het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden. Vervolgens werd op 25 augustus 2020 een dwangbevel betekend tot betaling van €400,45. Betrokkene stelde verzet in tegen dit dwangbevel en betaalde het griffierecht. Tijdens de procedure bracht het CJIB naar voren dat het dwangbevel niet gehandhaafd kon blijven omdat betrokkene inmiddels aan zijn betalingsverplichting had voldaan.
De kantonrechter overwoog dat het dwangbevel ten onrechte was uitgevaardigd omdat de grondslag was komen te vervallen. Hierdoor werd het verzet gegrond verklaard en werd het dwangbevel vernietigd. Tevens werd een proceskostenvergoeding toegekend aan betrokkene voor de kosten van de raadsvrouw en de gemaakte verletkosten.
De uitspraak werd gedaan door kantonrechter H. Vegter op 11 maart 2021 te Enschede. Tegen deze beschikking kan binnen twee weken hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden.