ECLI:NL:RBOVE:2020:732

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
19 februari 2020
Publicatiedatum
20 februari 2020
Zaaknummer
815006316
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid van bezwaarschrift tegen omzetting van taakstraf in vervangende hechtenis

In deze zaak heeft de politierechter van de Rechtbank Overijssel op 19 februari 2020 uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van een bezwaarschrift dat was ingediend door de veroordeelde tegen de omzetting van een taakstraf in vervangende hechtenis. De veroordeelde had een taakstraf van 180 uren opgelegd gekregen, maar had een gedeelte van deze taakstraf niet verricht. De officier van justitie had op 2 mei 2019 besloten om de niet-verrichtte uren om te zetten in 37 dagen vervangende hechtenis. De kennisgeving van deze omzetting was echter pas op 23 mei 2019 aan de veroordeelde betekend, die op dat moment geen vaste woon- of verblijfplaats had. Het bezwaarschrift tegen deze omzetting was gedateerd op 12 februari 2020 en werd op dezelfde dag ingediend bij de rechtbank.

De politierechter oordeelde dat het bezwaarschrift niet tijdig was ingediend, aangezien dit binnen veertien dagen na de betekening van de kennisgeving had moeten gebeuren. Desondanks verklaarde de politierechter het bezwaarschrift ontvankelijk, omdat de vordering van de officier van justitie als non-existent moest worden aangemerkt. De termijn voor het verrichten van de taakstraf was namelijk al verstreken op 29 mei 2018, waardoor de officier van justitie niet meer bevoegd was om de omzetting te bevelen. De politierechter verklaarde het bezwaarschrift gegrond en stelde het aantal te verrichten uren op nihil, wat betekende dat de veroordeelde geen taakstraf meer hoefde te verrichten. Tevens gaf de politierechter opdracht aan de officier van justitie om ervoor te zorgen dat de veroordeelde in vrijheid werd gesteld, aangezien de vervangende hechtenis werd opgeheven.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-150063-16
Bezwaarschriftnummer: 20/1414
Uitspraak van de politierechter op het bezwaarschrift op grond van artikel 6:6:23 jo. artikel 6:3:3, derde lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1985 in [geboorteplaats] ,
thans gedetineerd in PI Lelystad,
wonende aan [adres] , [woonplaats] ,
verder te noemen: de veroordeelde.

1.Het verloop van de procedure

Op 2 mei 2019 heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging van 37 dagen vervangende hechtenis bevolen omdat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren heeft verricht. De kennisgeving daarvan is op 7 mei 2019 verstuurd, echter had veroordeelde op dat moment geen vaste woon- of verblijfplaats waarna de kennisgeving op 23 mei 2019 is gestuurd naar de griffie van de rechtbank Overijssel.
Het bezwaarschrift tegen de kennisgeving van dat bevel is gedateerd 12 februari 2020 en is op dezelfde datum op de griffie van de rechtbank ontvangen. Het is ingediend namens de veroordeelde, door mr. S.G.H. Langeweg, advocaat te Koog a/d Zaan.
Het bezwaarschrift is behandeld op de openbare zitting van 19 februari 2020.
Bij de behandeling zijn de officier van justitie mr. G. Nijpels, de veroordeelde en de raadsvrouw gehoord.
De politierechter heeft kennis genomen van de door de officier van justitie overgelegde relevante stukken met betrekking tot de strafzaak waarin de taakstraf werd opgelegd en de stukken die betrekking hebben op de omzetting van de taakstraf in vervangende hechtenis waartegen het bezwaarschrift is gericht. Tevens heeft de politierechter kennis genomen van de door de raadsvrouw op 14 februari 2020 per e-mail aan de rechtbank verstrekte medische informatie over de partner van de veroordeelde.
2. De standpunten van de veroordeelde, de raadsvrouw en de officier van justitie
Primair sluit de raadsvrouw zich aan bij hetgeen de officier van justitie op voorhand na de uiteenzetting van de relevante feiten door de politierechter heeft gerequireerd en subsidiair refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de politierechter.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift niet binnen de termijn van veertien dagen na betekening van bovengenoemde kennisgeving is ingediend en daarom moet veroordeelde in zijn bezwaarschrift niet-ontvankelijk worden verklaard. Voorts stelt de officier van justitie - na kennisneming van de uiteenzetting van de relevante feiten door de politierechter - zich op het standpunt dat de omzetting van de taakstraf niet had moeten plaatsvinden in verband met de eerdere beslissing van de officier van justitie op 5 mei 2018 om de termijn waarbinnen de taakstraf moest worden verricht niet meer te verlengen omdat de termijn waarbinnen de officier van justitie de termijn waarbinnen de taakstraf moet zijn verricht, kan verlengen, op 5 mei 2018 zou zijn verstreken. De beslissing van de officier van justitie op 5 mei 2018 om de termijn niet te verlengen had tot gevolg dat een eventuele beslissing tot omzetting uiterlijk op 29 augustus 2018 genomen had moeten worden nu door het intrekken van het hoger beroep op 29 mei 2017 tegen het vonnis van 15 september 2016 de termijn waarbinnen de taakstraf moest zijn verricht op 29 mei 2018 - één jaar na onherroepelijk worden van het vonnis - expireerde. De officier van justitie heeft toegezegd – na de zitting – contact op te nemen met afdeling Executie om mee te delen dat de taakstraf onterecht is omgezet in vervangende hechtenis zodat veroordeelde met ingang van vandaag in vrijheid wordt gesteld.

3.De ontvankelijkheid

Op grond van artikel 22g, derde lid, eerste volzin, Wetboek van Strafrecht (Sr) (oud) kan het bezwaarschrift slechts worden ingediend binnen veertien dagen na betekening van de kennisgeving bedoeld in artikel 22g, derde lid, Sr (oud). De politierechter stelt vast dat de kennisgeving omzetting op 23 mei 2019, door middel van een griffiebetekening, aan de veroordeelde is betekend aangezien uit de informatiestaat SKDB-persoon bleek dat veroordeelde stond geregistreerd als: “vertrokken onbekend waarheen”. Naar het oordeel van de politierechter begon daarmee op 23 mei 2019 de in artikel 22g Sr (oud) voorgeschreven termijn. Het bezwaarschrift is vervolgens niet binnen veertien dagen na het begin van de termijn ingediend.
Ondanks de niet tijdige indiening van het bezwaarschrift stelt de politierechter vast dat het bezwaarschrift toch ontvankelijk is omdat de vordering van de officier van justitie van 2 mei 2019 als non-existent moet worden aangemerkt nu de officier van justitie die beslissing op dat moment niet meer kon nemen. Immers was de termijn waarbinnen de taakstraf moest zijn verricht geëindigd op 29 mei 2018 nadat op 29 mei 2017 door het intrekken van het hoger beroep het vonnis van de politierechter van 15 september 2016 onherroepelijk was geworden. Volgens het toen geldende artikel 22i Sr had de officier van justitie uiterlijk op 29 augustus 2018 de omzetting naar vervangende hechtenis moeten bevelen nu de termijn waarbinnen de taakstraf moest worden verricht, door de beslissing van de officier van justitie van 5 mei 2018 niet verlengd is. Om die reden is veroordeelde toch ontvankelijk in het bezwaarschrift ondanks het feit dat de termijn van art. 22g lid 3 Sr (oud) is overschreden.

4.De beoordeling

Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de politierechter het volgende vast.
De veroordeelde is bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 15 september 2016 veroordeeld tot onder meer een taakstraf van 180 uren. Daarbij is bepaald dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen. Ook is bepaald dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht. Tegen dit vonnis heeft de veroordeelde zoals hiervoor reeds is vermeld, hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwaarden. Gelet op de intrekking van het hoger beroep door veroordeelde op 29 mei 2017 is het vonnis op 29 mei 2017 onherroepelijk geworden en vanaf die datum gaat de termijn van een jaar, zoals bedoeld in artikel 22c, derde lid jo. 22i van het Wetboek van Strafrecht (oud) in. De taakstraf in casu had dus vóór 29 mei 2018 moeten worden verricht. Deze termijn kan, met inachtneming van artikel 22c, vierde lid van het Wetboek van Strafrecht (oud) door de officier van justitie worden verlengd. Op 5 mei 2018 heeft de officier van justitie – ten onrechte – beslist dat de termijn was verstreken om tot verlenging van de omzetting van de taakstraf over te gaan. Vervolgens is uit het onderzoek ter terechtzitting en de eindrapportage van de reclassering van 23 januari 2019 gebleken dat de veroordeelde een gedeelte van 73 uren niet heeft verricht. Gelet hierop heeft de officier van justitie deze uren op 2 mei 2019 ten onrechte omgezet in vervangende hechtenis waardoor veroordeelde sinds 11 februari 2020 vastzit. Deze omzetting van taakstraf in vervangende hechtenis had niet mogen plaatsvinden nu de termijn voor het nemen van die beslissing ruimschoots was verstreken.
De politierechter zal de beslissing van het Openbaar Ministerie om de vervangende hechtenis ten uitvoer te leggen wijzigen en het bezwaarschrift gegrond verklaren. Daarnaast bepaalt de politierechter dat de veroordeelde geen taakstraf meer hoeft te verrichten en stelt het aantal uren op nihil. Tot slot geeft de politierechter de officier van justitie de opdracht om er zorg voor te dragen dat de veroordeelde vandaag in vrijheid wordt gesteld omdat de vervangende hechtenis wordt opgeheven.

4.De beslissing

De politierechter:
  • verklaart het bezwaarschrift
  • stelt het aantal te verrichten uren
  • geeft opdracht aan de officier van justitie om er zorg voor te dragen dat de veroordeelde vandaag
  • gelast de opheffing van de vervangende hechtenisvan veroordeelde.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.W.M. Hendriks, politierechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Izgi, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2020.