De rechtbank Overijssel heeft op 17 december 2020 uitspraak gedaan over het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling van [Schuldenaar] en [Schuldenares]. Deze regeling was sinds juni 2019 van toepassing. De aanleiding tot het verzoek was een brief van GGN namens Zilveren Kruis waarin terugvordering van een PGB werd geëist ten laste van hun ernstig geestelijk en lichamelijk gehandicapte dochter [X], die handelingsonbekwaam is.
Tijdens de procedure bleek dat [Schuldenaar] en [Schuldenares] de bankrekening van hun dochter beheerden en over het inkomen van ruim € 1.180 per maand beschikten. Uit bankafschriften en verklaringen kwam naar voren dat zij maandelijks ruim € 500 meer aan inkomsten hadden dan het leefgeld dat zij ontvingen, en dat zij aanzienlijke bedragen besteedden aan persoonlijke uitgaven die niet plausibel waren toegelicht. De rechtbank concludeerde dat zij hun dochter en hun schuldeisers ernstig hebben benadeeld door onrechtmatig gebruik van haar inkomsten.
De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van de ouders tegenstrijdig en ongeloofwaardig waren en dat zij de inlichtingenplicht ernstig hadden geschonden. Gezien het ontbreken van een saneringsgerichte houding en het feit dat er baten zijn om schuldeisers te voldoen, werd de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd en werd de staat van faillissement uitgesproken zodra het vonnis in kracht van gewijsde treedt.