Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het verloop van de procedure
2.De standpunten van de veroordeelde en de officier van justitie
3.De ontvankelijkheid
4.De beoordeling
5.De beslissing
ongegrond.
Rechtbank Overijssel
De veroordeelde is bij vonnis veroordeeld voor meervoudige verduistering en kreeg een taakstraf opgelegd. De officier van justitie gaf op grond van de Wet DNA het bevel tot afname van celmateriaal voor DNA-bepaling. De veroordeelde maakte bezwaar tegen deze maatregel, stellende dat zijn DNA-profiel geen bijdrage zou leveren aan toekomstige opsporing.
De rechtbank oordeelt dat het bezwaarschrift ontvankelijk is en toetst het bezwaar aan de uitzonderingsgronden van artikel 2 van Pro de Wet DNA. Gelet op de aard van het misdrijf en de lange pleegperiode acht de rechtbank aannemelijk dat DNA-onderzoek van belang kan zijn voor opsporing van soortgelijke of andere misdrijven, mede omdat verduistering overlap vertoont met diefstal, waarbij DNA-materiaal vaak relevant is.
De rechtbank concludeert dat geen uitzonderingssituatie aanwezig is die afname van DNA uitsluit. Het bezwaarschrift wordt ongegrond verklaard en het bevel tot DNA-afname blijft in stand. De beslissing is genomen na behandeling in de raadkamer met hoorzitting van de veroordeelde en de officier van justitie.
Uitkomst: Het bezwaarschrift tegen DNA-afname wordt ongegrond verklaard en het bevel tot DNA-afname blijft van kracht.