Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
[betrokkene], wonende te [woonplaats] ,
Rechtbank Overijssel
In deze kort gedingprocedure vordert eiseres ontruiming van een woning die door gedaagde wordt bewoond zonder recht of titel, nadat de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd per 1 september 2020.
De feiten zijn dat gedaagde na het overlijden van zijn vader en vertrek van zijn moeder in de woning bleef wonen zonder nieuwe huurovereenkomst. Na meerdere korte huurovereenkomsten en een beëindigingsovereenkomst is gedaagde blijven verblijven zonder recht. Eiseres vordert ontruiming met dwangsom wegens het niet nakomen van afspraken.
De bewindvoerder van gedaagde, Beschermingsbewind Twente, neemt deel aan de procedure en vraagt om verlenging van de ontruimingstermijn. De voorzieningenrechter oordeelt dat het verblijf zonder recht of titel is en acht de vordering toewijsbaar. Partijen komen overeen de ontruimingstermijn te verlengen tot 1 januari 2021.
De bewindvoerder wordt veroordeeld de woning binnen zeven dagen na betekening van het vonnis, maar niet eerder dan 1 januari 2021, te ontruimen onder dwangsom. De vordering tot inzet van de sterke arm door eiseres wordt afgewezen. De kosten worden aan de verliezende partij opgelegd, waarbij eiseres de griffierechten voor haar rekening neemt vanwege de onnodige keuze voor de voorzieningenrechter in plaats van de kantonrechter.
Uitkomst: Bewindvoerder wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen zeven dagen na betekening, niet eerder dan 1 januari 2021, onder dwangsom.