Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
gevestigd te Eindhoven,
wonende te [plaats] ,
Rechtbank Overijssel
Rabo Financieringsmaatschappij B.V. vordert betaling van een kredietschuld van [gedaagde]. De kantonrechter toetst ambtshalve of Rabo heeft voldaan aan haar zorgplicht en of de ingebrekestelling rechtsgeldig is uitgebracht.
Rabo stelt dat zij de kredietwaardigheid van [gedaagde] heeft getoetst op basis van bewijsstukken en dat zij de ingebrekestelling en opeisingsbrief tijdig heeft verzonden. De kantonrechter oordeelt dat Rabo inderdaad aan haar zorgplicht heeft voldaan, maar dat de ingebrekestelling van 25 maart 2019 niet voldoet aan de eisen van artikel 33 Wck Pro (oud).
De ingebrekestelling moet een schriftelijke aanmaning zijn met een redelijke termijn en expliciete waarschuwing over de gevolgen van niet-betaling, gericht op een achterstand van ten minste twee maanden. Dit was niet het geval. Hierdoor is het krediet niet rechtsgeldig opgeëist en blijft de overeenkomst onder dezelfde voorwaarden doorlopen. De vordering wordt afgewezen en Rabo wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering van Rabo wordt afgewezen wegens een niet-rechtsgeldige ingebrekestelling.