ECLI:NL:RBOVE:2020:2861
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs witwassen investeringen woning Almelo
Deze strafzaak betreft de verdenking van gewoontewitwassen door twee verdachten, waarbij het OM stelde dat zij betrokken waren bij het witwassen van geldbedragen en investeringen in een woning te Almelo. De tenlastelegging richtte zich op de periode van september 2014 tot december 2016, waarin onder meer een bedrag van €80.000,- zou zijn geïnvesteerd in verbouwingen van de woning.
De rechtbank constateerde dat de woning sinds 2014 juridisch eigendom was van een verdachte en dat er inderdaad voor minimaal €80.000,- aan verbouwingen was verricht. De discussie spitste zich toe op de vraag wie feitelijk eigenaar was, wie de investeringen financierde en of het geld uit criminele bron afkomstig was. De rechtbank liet deze vragen in het midden, omdat niet wettig en overtuigend kon worden bewezen dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het geld uit enig misdrijf afkomstig was.
Het OM baseerde haar bewijs mede op de kennis van de verdachte over het criminele verleden van zijn vader, maar de rechtbank oordeelde dat dit onvoldoende was om wetenschap van witwassen aan te nemen. Ook werd gewezen op het maatschappelijk gebruik dat ouders hun kinderen financieel ondersteunen, wat geen verdenking van witwassen rechtvaardigt.
De rechtbank sprak de verdachten vrij van het tenlastegelegde witwassen en gelastte de teruggave van de aan hen toebehorende bankrekeningen, auto en onroerend goed, aangezien deze niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.
Uitkomst: Verdachten worden vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat zij wisten dat investeringen in de woning afkomstig waren uit criminele gelden.