ECLI:NL:RBOVE:2020:1516

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
6 april 2020
Publicatiedatum
17 april 2020
Zaaknummer
C/08/245425 / FA RK 20-634
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 Wet zorg en dwang
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechterlijke machtiging tot opname en verblijf op grond van de Wet zorg en dwang

De rechtbank Overijssel behandelde op 6 april 2020 het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) tot het verlenen van een rechterlijke machtiging voor opname en verblijf van een cliënt met een psychogeriatrische aandoening, Alzheimer, in een zorginstelling. Het verzoek betrof een opvolgende machtiging voor de duur van twee jaar, maar de rechtbank oordeelde dat dit verzoek als een eerste machtiging moet worden beschouwd, waardoor de maximale duur zes maanden bedraagt.

De cliënt, wonende in een psychiatrisch ziekenhuis, lijdt aan ernstige dementie die leidt tot ernstig nadeel zoals verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang. De cliënt verzet zich tegen de voortzetting van het verblijf. De rechtbank heeft op basis van de ingediende medische verklaringen, het zorgplan en de hoorzitting, waarbij ook de dochter en een arts werden gehoord, vastgesteld dat opname en verblijf noodzakelijk en geschikt zijn om het ernstig nadeel te voorkomen.

Vanwege de COVID-19 maatregelen vond de behandeling telefonisch plaats. De rechtbank benadrukte het belang van volksgezondheid en veiligheid, waardoor persoonlijke hoorzittingen werden vermeden. De rechtbank besloot de machtiging te verlenen voor de duur van zes maanden, tot en met 6 oktober 2020, en wees het meer of anders verzochte af. Tegen deze beschikking staat cassatie open.

Uitkomst: De rechtbank verleent een machtiging tot opname en verblijf voor zes maanden aan de cliënt.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht
Locatie: Zwolle
Zaak-/rekestnr.: C/08/245425 / FA RK 20-634

Rechterlijke machtiging tot opname en verblijf

Beschikking van 6 april 2020van de rechtbank Overijssel naar aanleiding van het door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een opvolgende machtiging voor de duur van
twee jaarals bedoeld in artikel 24 van Pro de Wet zorg en dwang (Wzd), ten aanzien van:

[A] , WED.V. [B] ,

[geboortedatum] 1941,
wonende en verblijvende te Zorgroep Raalte, locatie Angeli Custodes,
Burgemeester Kerssemakersstraat 46, 8101 AP Raalte,
hierna te noemen: cliënt,
advocaat: mr. A.R. Maarsingh te Deventer.

Procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 19 maart 2020.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
 het zorgplan d.d. 12 februari 2020;
 het indicatiebesluit d.d. 18 februari 2020;
 de aanvraag d.d. 21 februari 2020;
 de medische verklaring d.d. 21 februari 2020 en
 een verklaring van de accommodatie waarin cliënt is opgenomen d.d. 27 februari 2020.
In verband met de getroffen Covid-19 maatregelingen heeft de mondelinge behandeling van het verzoek
telefonischplaatsgevonden op 6 april 2020.
Daarbij zijn gehoord:
 cliënt bijgestaan door haar advocaat;
 de dochter van cliënt en
 [C] , arts.

Beoordeling

Het was aanvankelijk de bedoeling om op 6 april 2020 de betrokkene/cliënt te horen waar deze verblijft. Gelet op de recente ontwikkelingen omtrent het Coronavirus (COVID-19) heeft de Rechtspraak besloten alle rechtbanken te sluiten. De meest urgente zaken zoals de onderhavige gaan echter wel door met dien verstande dat, ter voorkoming van verdere verspreiding van het Coronavirus, in dit soort zaken telefonisch of per beeldverbinding zal worden gehoord en de rechtbank zich dus niet naar de instelling begeeft waar een betrokkene/cliënt verblijft om hem of haar aldaar te horen. Hoewel de rechtbank veel waarde hecht aan het horen van betrokkene/cliënt in persoon laat zij thans het belang van de volksgezondheid in het algemeen en de veiligheid van betrokkenen/cliënten, de advocaten, haar medewerkers, de medewerkers in de instellingen en overige belanghebbenden prevaleren. Het betreft uitzonderlijke tijden die tot uitzonderlijke maatregelen nopen.
Op 9 september 2020 is door de rechtbank een voorlopige machtiging tot het doen opnemen en doen verblijven van cliënt in een psychiatrisch ziekenhuis verleend tot en met 9 maart 2020. Zoals hierboven aangegeven is het voorliggende verzoek op 19 maart 2020 ontvangen, dus 10 dagen na afloop van de eerdere voorlopige machtiging. De rechtbank heeft aan het begin van de zitting aangegeven dat dit niet meebrengt dat het CIZ niet in het verzoek kan worden ontvangen, maar wel dat de rechterlijke machtiging niet meer aansluit op de voorgaande, en er dus op het eerste gezicht slechts sprake kan zijn van een eerste machtiging voor de duur van 6 maanden.
Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat cliënt lijdt aan
een psychogeriatrische aandoening te weten dementie (Alzheimer) dan wel een daarmee gepaard gaande psychische stoornis of een combinatie daarvan. Dat laatste is in een aanvullende verklaring (ter zitting onweersproken) gecorrigeerd: cliënt heeft alleen een psycho-geriatrische aandoening.
Deze psychogeriatrische aandoening leidt tot ernstig nadeel, gelegen in ernstige verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang. In de thuissituatie was cliënt regelmatig aan het dwalen en belde zij in de nachtelijke uren bij de buurvrouw aan. Vanwege haar aandoening kon zij haar leven niet langer zelf structureren en heeft zij 24-uurs zorg nodig.
De voortzetting van het verblijf is noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden.
Er zijn geen minder ingrijpende mogelijkheden om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden.
Gebleken is dat cliënt zich verzet tegen de voortzetting van het verblijf.
De advocaat van cliënt heeft ter zitting aangevoerd dat zijn kantoorgenoot met betrekking tot een eerdere beslissing van deze rechtbank waarin een Wzd-machtiging voor vijf jaar is verleend heeft getwitterd en dat mr. Keurentjes, die volgens de advocaat nu eenmaal dé autoriteit is in zaken als deze, daarop heeft geantwoord dat ook als een Wzd-machtiging aansluit op een eerdere Bopz- machtiging, die Wzd machtiging de eerste keer voor niet langer dan zes maanden kan worden verleend.
Wat daar ook van zij, de rechtbank is op basis van het hetgeen aan het begin van de zitting is besproken en dus op andere gronden van oordeel dat het verzoek van het CIZ niet als een verlenging rechterlijke machtiging kan worden opgevat, maar als een eerste verzoek tot het verlenen van een machtiging. Een dergelijke verzoek kan slechts voor maximaal zes maanden worden verleend. De rechtbank zal daarom bepalen dat de machtiging niet verleend wordt voor de duur van twee jaar maar voor de duur van zes maanden.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor het verlenen van een machtiging tot opname en verblijf als bedoeld in de Wzd. De machtiging geldt op basis van hetgeen hierboven is overwogen tot en met 6 oktober 2020.

Beslissing

De rechtbank:

verleent een machtiging tot opname en verblijf ten aanzien van
[A] , wed. van [B] , [geboortedatum] 1941,
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met uiterlijk 6 oktober 2020.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is op 6 april 2020 mondeling gegeven door mr. A.L. Smit, rechter en in het openbaar uitgesproken bijgestaan door P. Groothedde als griffier, en op 8 april 2020 schriftelijk uitgewerkt en ondertekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.