Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
1. (oplichting art. 326 Sr Pro)
overgemaakt aan [bedrijf 2] ,
Een (giraal) geldbedrag van in totaal€ 51.229,74door de gemeente Amsterdam overgemaakt aan [bedrijf 1] , welk gehele bedrag [bedrijf 1] heeft overgemaakt aan [bedrijf 2] ;
- een bedrijf, zijnde een eenmanszaak op naam van verdachte ( [bedrijf 2] ) opgericht en/of
- een werkplek gehuurd voor [bedrijf 2] en/of
- een bankrekening geopend voor [bedrijf 2] en/of
- zich middels [bedrijf 2] voorgedaan als betrouwbare leverancier van goederen en/of diensten en/of werkzaamheden ten behoeve van (het wagenpark en/of de werven van) de gemeente Amsterdam en/of
- meerdere facturen op naam van [bedrijf 2] opgemaakt en/of gestuurd naar en/of ingediend bij de gemeente Amsterdam en/of [bedrijf 1] en/of
- de indruk gewekt dat goederen en/of diensten en/of werkzaamheden vermeld op deze facturen aan de gemeente Amsterdam en/of [bedrijf 1] geleverd en/of verricht zijn door [bedrijf 2] , terwijl deze of goederen en/of diensten en/of werkzaamheden niet zijn geleverd en/of verricht,
2. ((gewoonte)witwassen artt. 420bis en 420ter Sr)
a) van een of meerdere (grote) geldbedragen van in totaal€ 186.096,15bestaande uit:
- € 110.050,- (overgemaakt aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ),
- € 17.600,- (overgemaakt aan [naam 1] ),
- € 11.000,- (opgenomen bij [casino] ),
- € 9.396,- (spoedbetalingen aan de Belastingdienst),
- € 30.965,- (diverse contante geldopnames),
- € 6.050,15 (overige uitgaven),
- € 1.035,- (contant geldbedrag voorhanden bij aanhouding),
- € 110.050,- (overgemaakt aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ),
- € 17.600,- (overgemaakt aan [naam 1] ),
- € 11.000,- (opgenomen bij [casino] ),
- € 9.396,- (spoedbetalingen aan de Belastingdienst),
- € 30.965,- (diverse contante geldopnames),
- € 6.050,15 (overige uitgaven),
- € 1.035,- (contant geldbedrag voorhanden bij aanhouding),
3.De voorvragen
Een (giraal) geldbedrag van in totaal€ 51.229,74door de gemeente Amsterdam overgemaakt aan [bedrijf 1] , welk gehele bedrag [bedrijf 1] heeft overgemaakt aan [bedrijf 2] ;
- een bedrijf, zijnde een eenmanszaak op naam van verdachte ( [bedrijf 2] ) opgericht en
- een werkplek gehuurd voor [bedrijf 2] en
- een bankrekening geopend voor [bedrijf 2] en
- zich middels [bedrijf 2] voorgedaan als betrouwbare leverancier van goederen en diensten en werkzaamheden ten behoeve van het wagenpark en/of de werven van de gemeente Amsterdam en
- meerdere facturen op naam van [bedrijf 2] opgemaakt en gestuurd naar en/of ingediend bij de gemeente Amsterdam en [bedrijf 1] en
- de indruk gewekt dat goederen en diensten en werkzaamheden vermeld op deze facturen aan de gemeente Amsterdam en [bedrijf 1] geleverd en/of verricht zijn door [bedrijf 2] , terwijl deze of goederen en/of diensten en/of werkzaamheden niet zijn geleverd of verricht,
a) van meerdere (grote) geldbedragen van in totaal€ 186.096,15bestaande uit:
- € 110.050,- (overgemaakt aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ),
- € 17.600,- (overgemaakt aan [naam 1] ),
- € 11.000,- (opgenomen bij [casino] ),
- € 9.396,- (spoedbetalingen aan de Belastingdienst),
- € 30.965,- (diverse contante geldopnames),
- € 6.050,15 (overige uitgaven),
- € 1.035,- (contant geldbedrag voorhanden bij aanhouding),
- € 110.050,- (overgemaakt aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ),
- € 17.600,- (overgemaakt aan [naam 1] ),
- € 11.000,- (opgenomen bij [casino] ),
- € 9.396,- (spoedbetalingen aan de Belastingdienst),
- € 30.965,- (diverse contante geldopnames),
- € 6.050,15 (overige uitgaven),
- € 1.035,- (contant geldbedrag voorhanden bij aanhouding),
5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
6.De strafbaarheid van verdachte
7.De op te leggen straf of maatregel
Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen door (het meewerken aan) het overboeken van de uit de oplichting verkregen gelden aan zijn mededaders, het (doen) verrichten van meerdere betalingen en het (doen) opnemen van contante geldbedragen met die uit de oplichting verkregen gelden.
De rechtbank heeft als enigszins strafmatigende omstandigheid in aanmerking genomen dat de rol van verdachte bij het uitvoeren van de oplichting en zijn voordeel daaruit beperkter is geweest dan de rol en het oordeel van zijn mededader [medeverdachte 1] .
Naar het oordeel van de rechtbank kan op dergelijke feiten in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstrafstraf heeft de rechtbank acht geslagen op het op naam van verdachte gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie, waaruit onder meer blijkt dat verdachte bij vonnis van de politierechter van 30 augustus 2017 ter zake van opzetheling is veroordeeld tot een werkstraf van 180 uur, zodat in de onderhavige zaak artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht dient te worden toegepast.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting doorgaans dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een stafvervolging zal worden ingesteld. De rechtbank neemt in dit geval 1 maart 2016, de dag waarop verdachte is aangehouden en in verzekering is gesteld, als uitgangspunt.
De rechtbank stelt vast dat in dit geval sprake is geweest van overschrijding van de redelijke termijn met meer dan een jaar, op grond van het tijdsverloop tot de regiezitting, het tijdsverloop tot de verhoren bij de rechter-commissaris en het tijdsverloop tot de inhoudelijke behandeling van de zaak. Dit tijdsverloop is naar het oordeel van de rechtbank niet aan verdachte te wijten. De rechtbank overweegt dat overschrijding van de redelijke termijn behoort te leiden tot strafvermindering. De rechtbank geeft deze strafvermindering vorm door in plaats van de in beginsel passende en geëiste onvoorwaardelijke gevangenisstraf te kiezen voor een voorwaardelijke gevangenisstraf aangevuld met een andere strafmodaliteit
8.De toegepaste wettelijke voorschriften
9.De inbeslaggenomen voorwerpen
10.De beslissing
- veroordeelt verdachte tot een
- bepaalt dat deze gevangenisstraf
algemene voorwaardedat verdachte:
- veroordeelt verdachte tot een
- beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat
- beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste 60 in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt;
- verklaart verbeurd het inbeslaggenomen geldbedrag van € 1.035,00;
- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 29,95.