Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] woonachtig te [woonplaats] , eiser,
de minister voor Rechtsbescherming, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
.
Rechtbank Overijssel
Eiser vroeg een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) aan voor een functie als begeleider bij een zorgboerderij. De minister weigerde de VOG op grond van een voorwaardelijk geseponeerd zedendelict uit 2016, waarbij een proeftijd liep tot november 2018. De rechtbank oordeelde dat het objectieve criterium van de beleidsregels was vervuld, omdat het strafbare feit binnen de terugkijktermijn viel en de functie een (tijdelijke) afhankelijkheidsrelatie met kwetsbare personen inhoudt.
Eiser voerde aan dat er geen sprake was van ontucht, omdat de betrokkenen volwassen en instemmend waren, en dat het risico op herhaling onterecht werd aangenomen. Ook stelde hij dat het belang van het verkrijgen van een VOG zwaarder zou moeten wegen vanwege zijn persoonlijke omstandigheden en het verlies van zijn baan.
De rechtbank paste het verscherpt toetsingskader toe dat geldt bij zedendelicten in functies met kwetsbare personen en concludeerde dat het risico voor de samenleving zwaarder weegt dan het belang van eiser. Het tijdsverloop en de ernst van het delict maakten het belang van eiser onvoldoende om afgifte van de VOG te rechtvaardigen.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser kan tegen deze uitspraak binnen zes weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de VOG is ongegrond verklaard omdat het risico voor de samenleving zwaarder weegt dan het belang van eiser.