Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De bewijsoverwegingen
- ‘jo maat, kun je me grote brengen? en ‘hoelaat? € 50’, waarop (uiteindelijk) wordt geantwoord: ‘ligt er’
- ‘jo maat, kun je vanavond in de caddy doen? € 50. Maakt niet uit hoe laat vanavond Maar geld ligt er al’, waarop wordt geantwoord ‘komt goed’.
5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10, vierde lid, van de Opiumwet, meermalen gepleegd;
handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10, derde lid, van de Opiumwet;
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
6.De strafbaarheid van verdachte
7.De op te leggen straf of maatregel
8.De toegepaste wettelijke voorschriften
9.De beslissing
handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10, vierde lid, van de Opiumwet, meermalen gepleegd;
handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10, derde lid, van de Opiumwet;
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
gevangenisstrafvoor de duur van
297 (tweehonderdenzevenennegentig) dagen;
270 (tweehonderdenzeventig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien veroordeelde voor het einde van de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende voorwaarde(n) niet is nagekomen:
voorwaardedat veroordeelde: