De rechtbank Overijssel behandelde de zaak tegen een 58-jarige man die werd verdacht van mensenhandel met betrekking tot een vrouw van Poolse afkomst. De verdenking betrof onder meer het werven, vervoeren en uitbuiten van het slachtoffer voor seksuele diensten in Nederland en omliggende landen.
Tijdens vijf openbare zittingen tussen november 2015 en januari 2019 werden de standpunten van de officier van justitie en de verdediging uitgebreid besproken. De rechtbank stelde vast dat de dagvaarding geldig was, zij bevoegd was en de officier van justitie ontvankelijk was in de vervolging.
Na beoordeling van het bewijs concludeerde de rechtbank dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend was bewezen. Daarom sprak zij de verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten. De benadeelde partij had een schadevergoeding gevorderd, maar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de verdachte werd vrijgesproken. De vordering kan alleen bij de burgerlijke rechter worden ingediend.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel te Almelo op 1 maart 2019.