Belanghebbende is op 24 april 2018 onder de wettelijke schuldsaneringsregeling geplaatst. De bewindvoerder verzocht op 28 juni 2019 om tussentijdse beëindiging van de regeling vanwege niet-nakoming van de inlichtingenplicht, het ontstaan van een nieuwe schuld bij de Belastingdienst en vermoedelijke achterstand in boedelafdracht.
Tijdens de zitting op 3 september 2019 verklaarde belanghebbende fouten te hebben gemaakt en vroeg hij om verlenging van de regeling om zijn tekortkomingen te herstellen. De beschermingsbewindvoerder gaf aan dat het vertrouwen beschadigd is en adviseerde een nieuwe start met een andere bewindvoerder.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende vanaf het begin van de regeling niet naar behoren aan zijn inlichtingenplicht heeft voldaan, onder meer door onjuiste informatie over het inkomen van zijn partner te verstrekken en geen afdracht te doen. Tevens concludeerde de rechtbank dat belanghebbende zijn schuldeisers tracht te benadelen. Gezien de ernst en het structurele karakter van de tekortkomingen en het ontbreken van vertrouwen in verbetering, wees de rechtbank het verzoek tot verlenging af en beëindigde de regeling tussentijds.
De vergoeding van de bewindvoerder werd vastgesteld op € 2.266,77 en ten laste van de boedel gebracht.