ECLI:NL:RBOVE:2019:4943
Rechtbank Overijssel
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Vordering vader op aanwezigheid bij bevalling en contact met pasgeboren kind afgewezen, wel voorlopige informatieregeling toegewezen
De man vordert in kort geding een regeling die hem het recht geeft om aanwezig te zijn bij de bevalling van zijn kind en daarna contact te hebben met het kind, met een dwangsom bij niet-naleving. De vrouw is niet verschenen en verstek is verleend. De man baseert zijn vordering op het recht van het kind op omgang met zijn ouders volgens artikel 1:377a BW en internationale verdragen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het belang van het ongeboren kind op dit moment niet kan worden beoordeeld, mede omdat de omstandigheden rondom de relatiebreuk en de zwangerschap onduidelijk zijn. Het welzijn van de moeder en het kind tijdens de bevalling staat voorop. Daarom worden de vorderingen tot aanwezigheid en contact na de bevalling afgewezen.
De rechtbank wijst de vordering tot verwijzing naar de module 'Ouderschap Blijft' af, omdat dit alleen met instemming van beide ouders kan en een indicatie van de gemeente vereist is. Wel wordt de moeder bevolen om de vader voorlopig eens per maand te informeren over de gezondheid en het welzijn van het kind, met een eerste bericht binnen een week na de geboorte, inclusief een foto. Dit vonnis is deels mondeling gewezen op 4 oktober 2019 en schriftelijk uitgewerkt op 18 oktober 2019.
Uitkomst: Vordering vader op aanwezigheid bij bevalling en contact met het kind wordt afgewezen, maar moeder moet vader maandelijks informeren over het welzijn van het kind.