ECLI:NL:RBOVE:2019:3882

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
15 oktober 2019
Publicatiedatum
24 oktober 2019
Zaaknummer
8064248 \ CV EXPL 19-3364
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 6 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming woning wegens hennepplantage en huurachterstand toegewezen

De huurder huurt sinds 1 april 2017 een woning van de eiser. Op 12 juli 2019 vond de politie een in werking zijnde hennepplantage in de woning. De eiser beëindigde de huurovereenkomst per aangetekende brief vanwege deze overtreding. Na de inval betaalde de huurder geen huur meer voor de maanden augustus, september en oktober 2019.

De eiser vorderde in kort geding ontruiming van de woning binnen drie dagen na betekening van het vonnis, betaling van achterstallige huurpenningen, een dwangsom voor elke maand dat de ontruiming uitblijft, wettelijke rente, en vergoeding van buitengerechtelijke kosten. De huurder was niet verschenen en verstek werd verleend.

De kantonrechter oordeelde dat de ontruiming een ingrijpende maatregel is die slechts kan worden bevolen indien aannemelijk is dat de bodemrechter de ontruiming zal toewijzen. Gezien de feiten en bewijsstukken achtte de rechter dit het geval. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten werd afgewezen wegens het ontbreken van een correcte aanmaning.

De huurder werd veroordeeld tot ontruiming binnen drie dagen, betaling van €1.050 aan achterstallige huur plus wettelijke rente, betaling van €350 per maand dwangsom vanaf 1 november 2019 tot ontruiming, en betaling van proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen drie dagen en betaling van achterstallige huur en dwangsommen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer : 8064248 \ CV EXPL 19-3364 (sd)
Vonnis in kort geding van 15 oktober 2019
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij, hierna te noemen [eiser] ,
gemachtigde: mr. E. Nijhoff,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde] ,
niet verschenen.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 oktober 2019 inclusief producties,
- de mondelinge behandeling op 11 oktober 2019,
- het tegen [gedaagde] verleende verstek.
1.1.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] huurt vanaf 1 april 2017 een woning met aanhorigheden aan [het adres] in [woonplaats] (hierna: de woning) van [eiser] .
2.2.
Op 12 juli 2019 is door de politie een inval gedaan in de woning en is er een in werking zijnde hennepplantage aangetroffen.
2.3.
Bij aangetekende brief van 19 september 2019 heeft [eiser] [gedaagde] kenbaar gemaakt de huurovereenkomst te willen beëindigen vanwege de aangetroffen hennepplantage.
2.4.
Na de politie inval van 12 juli 2019 heeft [eiser] geen contact kunnen krijgen met [gedaagde] .
2.5.
[gedaagde] heeft na de politie inval ook geen huurpenningen meer betaald. De maanden augustus, september en oktober 2019 zijn onbetaald gebleven.

3.Het geschil en de beoordeling

3.1.
Bij de dagvaarding zijn de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht genomen.
3.2.
[eiser] vordert – samengevat – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- [gedaagde] te veroordelen om binnen drie dagen na betekening van het vonnis de woning te ontruimen en deze onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van [eiser] te stellen,
- [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 1.050,00 aan achterstallige huurpenningen tot en met oktober 2019,
- [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een vergoeding van € 350,00 voor iedere maand dat hij vanaf 1 november 2019 in gebreke blijft het gehuurde te ontruimen,
- [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de huurpenningen en/of gebruiksvergoeding vanaf de vervaldatum tot de dag der algehele voldoening,
- [gedaagde] te veroordelen tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van
€ 157,50,
- [gedaagde] te veroordelen in de proces- en nakosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente indien de kosten niet binnen 14 dagen na betekening van het vonnis zijn voldaan.
3.3.
De kantonrechter stelt voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een ingrijpende en meestal onomkeerbare maatregel is. Gezien de ernst van de gevolgen voor de betrokken huurder kan daarom een ontruiming bij wijze van voorlopige voorziening slechts worden uitgesproken, indien het voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter (wanneer zijn oordeel wordt gevraagd) de huurder tot ontruiming zal veroordelen.
3.4.
De kantonrechter is van oordeel dat dat het geval is. De door [eiser] ingenomen stellingen in de dagvaarding vinden steun in de bij de dagvaarding overgelegde producties. De vorderingen komen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en zullen dan ook worden toegewezen, met inachtneming van het navolgende.
3.5.
[eiser] maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding komt niet voor toewijzing in aanmerking, nu niet gebleken is dat aan [gedaagde] een betalingstermijn van 14 dagen is gegeven ingaande de dag na ontvangst van een aanmaning, zoals vereist door artikel 6:96 lid 6 BW Pro. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704. Dit bedrag zal worden afgewezen.
3.6.
[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld. De kosten van [eiser] worden begroot op € 812,06.
Explootkosten € 101,06
Griffierecht € 231,00
Salaris gemachtigde € 480,00
4. De beslissing in kort geding
De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen drie dagen na betekening van het vonnis de woning met aanhorigheden aan [het adres] te [woonplaats] te ontruimen en de woning onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van [eiser] te stellen en te laten,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen de huurpenningen van augustus 2019 tot en met oktober 2019, zijnde € 1.050,00, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 oktober 2019 tot aan de dag van algehele voldoening,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 350,00 per maand met ingang van 1 november 2019 tot en met de maand waarin de ontruiming plaatsvindt, een ingegane maand voor een volle te rekenen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldag van elke termijn tot aan de dag der algehele voldoening,
4.4.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 812,06, waaronder € 480,00 wegens het salaris van de gemachtigde, en in de nakosten ad € 120,00 (0,5 punt x liquidatietarief met een maximum van € 120,00), dit laatste onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proces- en nakosten indien deze niet binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis zijn voldaan,
4.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Haarhuis, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2019.