Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
verblijvende te [adres] .
Rechtbank Overijssel
De rechtbank Overijssel behandelde de vordering van de officier van justitie tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van €12.490.000,00, voortvloeiend uit een bewezenverklaard feit van valsheid in geschrift gepleegd op 15 juni 2010.
De veroordeelde, bestuurder van [bedrijf 1] BV en directeur van [bedrijf 2] Inc, had een valse brief opgesteld waarin werd gesuggereerd dat een groot bedrag was gestort en een overbruggingskrediet was verstrekt, terwijl dit niet het geval was. De rechtbank onderzocht of de veroordeelde daadwerkelijk voordeel had genoten uit dit feit of andere strafbare feiten.
Hoewel er aanwijzingen waren dat de veroordeelde mogelijk wederrechtelijk voordeel had verkregen, bood het dossier en de zitting onvoldoende gegevens om dit vast te stellen. Ook waren er geen aanwijzingen voor voordeel uit andere strafbare feiten. Daarom wees de rechtbank de ontnemingsvordering af.
De uitspraak is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en werd gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Overijssel op 30 september 2019.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel af wegens onvoldoende bewijs.