Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De bewijsoverwegingen
.De rechtbank acht het opzet van de ondernemingen ook wettig en overtuigend bewezen, gelet op de feitelijke gang van zaken binnen de ondernemingen en het gevoerde beleid door de (feitelijke) directie zoals hiervoor beschreven. De rechtbank acht gelet op het hiervoor overwogene en in het bijzonder de actieve rol die [verdachte] , naast [medeverdachte 1] , in het geheel heeft gespeeld – van het adviseren van een oud-bestuurder tot het organiseren van de inschrijving van een nieuwe bestuurder en het (valselijk) verrichten van boekhoudkundige c.q. administratieve taken waarmee de bedrieglijke bankbreuk werd geëffectueerd – wettig en overtuigend bewezen dat hij opzettelijk feitelijk leiding heeft gegeven aan de gedragingen van de ondernemingen zoals ten laste gelegd onder 2 en 4.
5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
6.De strafbaarheid van verdachte
7.De op te leggen straf of maatregel
8.De schade van benadeelden
9.De toegepaste wettelijke voorschriften
10.De beslissing
gevangenisstrafvoor de duur van
27 (zevenentwintig) maanden;
5 (vijf) jarenvan het recht om bestuurder te zijn van een rechtspersoon
wordt ontzet;
openbaarmaking van dit vonnisna het onherroepelijk worden daarvan, met vermelding van de personalia van verdachte,
door toezendingervan aan de Kamer van Koophandel ten behoeve van de effectuering van voornoemde ontzetting;
[benadeelde], (feit 5): in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.