De rechtbank Overijssel behandelde de zaak van een 55-jarige man die werd verdacht van het witwassen van ongeveer € 200.000,-. Het betrof een periode van 22 tot en met 25 maart 2013, waarin verdachte medewerking zou hebben verleend aan het contant maken van een groot geldbedrag dat mogelijk uit een misdrijf afkomstig was.
Het onderzoek maakte onderdeel uit van een groter strafrechtelijk onderzoek naar de financiering van de aankoop van een scheepswerf. De rechtbank stelde vast dat het geldbedrag aanvankelijk rechtmatig was verkregen via een aanbetaling door een derde partij, maar dat na een incident op 22 maart 2013 een deel van het geldbedrag door medeverdachten was verduisterd. Verdachte had geholpen om een bedrag van circa € 200.000,- via verschillende rekeningen om te zetten in contant geld.
De officier van justitie stelde dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het geld uit een misdrijf afkomstig was, maar de rechtbank oordeelde dat dit niet wettig en overtuigend was bewezen. Er waren geen aanwijzingen dat verdachte op de hoogte was van de verduistering of andere misdrijven. Ook werd benadrukt dat het verlenen van medewerking aan het contant maken van een groot geldbedrag niet zonder meer strafbaar is.
De rechtbank sprak verdachte daarom vrij van het ten laste gelegde witwassen. Dit vonnis werd op 18 juli 2019 uitgesproken door de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel.