Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Vonnis van 3 juli 2019
[C],
[D],
[E],
Rechtbank Overijssel
In deze civiele procedure tussen een Nederlandse maatschap en een Finse vennootschap stond de vraag centraal of het springpaard bij koop en levering gebreken vertoonde die rechtvaardigden dat de koper de resterende koopsom opschortte. De rechtbank verwees naar eerdere vonnissen en een aanvullend mondeling deskundigenverslag waarin werd bevestigd dat het paard geen relevante mankementen had volgens de normen voor springpaarden. De deskundige stelde vast dat afwijkingen gering en niet relevant waren, en dat het paard voldeed aan de koopovereenkomst.
De rechtbank concludeerde dat de opschorting van de betaling van €40.000 onterecht was en veroordeelde de Finse vennootschap tot betaling van dit bedrag met wettelijke rente vanaf 1 augustus 2015. Daarnaast werden de proceskosten verdeeld, waarbij de Finse vennootschap in conventie en reconventie als de in het ongelijk gestelde partij werd veroordeeld tot betaling van kosten.
In de vrijwaringszaak werd vastgesteld dat de Nederlandse maatschap niet aansprakelijk was voor een verkeerd aankoopadvies, omdat het paard bij aankoop en levering geen gebreken vertoonde die een negatief advies zouden rechtvaardigen. De vorderingen in deze zaak werden afgewezen, met een kostenveroordeling tegen de Finse vennootschap. De rechtbank verklaarde alle veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de koper tot betaling van €40.000 met wettelijke rente en wijst de vorderingen in de vrijwaringszaak af.