De rechtbank Overijssel heeft op 20 maart 2019 een uitspraak gedaan over de hoofdverblijfplaats van twee minderjarige kinderen die tot dan toe een wisselend verblijf hadden tussen Nederland en Australië. De kinderen woonden afwisselend bij hun vader in Nederland en hun moeder in Australië, maar deze situatie bleek niet langer haalbaar en niet in het belang van de kinderen.
De Raad voor de Kinderbescherming had geadviseerd om de hoofdverblijfplaats bij de vader in Nederland te bepalen, vanwege factoren als stabiliteit, continuïteit, duidelijkheid, rust en voorspelbaarheid, die essentieel zijn voor de sociale ontwikkeling en het welzijn van de kinderen. De vader was bovendien goed beschikbaar en de kinderen hadden een goede band met hem.
De moeder betwistte het advies en stelde dat de taakverdeling tijdens het huwelijk en haar hechte band met een van de kinderen zwaarder moesten wegen. Ook voerde zij aan dat de kinderen geen voorkeur voor een land hadden en dat zij in Australië een warm netwerk hadden. De rechtbank oordeelde echter dat de belangen van de kinderen op dit moment het best worden gediend met verblijf bij de vader in Nederland, mede omdat de kinderen dan niet opnieuw geconfronteerd worden met grote veranderingen.
De rechtbank stelde tevens een zorg- en contactregeling vast waarbij de kinderen tijdens de zomervakantie vier weken bij de moeder in Australië verblijven, de kerstvakantie om en om bij beide ouders doorbrengen, en er minimaal drie keer per week contact via videobellen is. Deze regeling biedt de kinderen stabiliteit en behoudt het contact met beide ouders.