Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De bewijsoverwegingen
5.De beslissing
mr. T.J. Thurlings-Rassa, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.H. Doldersum, griffier,
Rechtbank Overijssel
Op 22 februari 2017 deed verdachte samen met medeverdachte een valse aangifte van een overval in een vakantiehuisje, waarbij medeverdachte was vastgebonden en bespoten met pepperspray. Verdachte bekende het in scène zetten van de overval met als doel het arbeidsconflict van medeverdachte aan te dikken. Hoewel verdachte een 112-melding deed uit paniek, was het doen van aangifte geen onderdeel van het plan. De rechtbank achtte het opzet voor valse aangifte afwezig en sprak verdachte vrij.
Daarnaast werd verdachte verdacht van het versturen van dreigbrieven met kogels aan een rechter om deze te dwingen een ambtshandeling te verrichten. De rechtbank oordeelde dat de poging tot ambtsdwang ondeugdelijk was omdat de rechter de zaak reeds had afgedaan. Ondanks de afkeuring van de gedragingen sprak de rechtbank verdachte ook vrij van deze tenlastelegging.
De rechtbank concludeerde dat de bewijsvoering onvoldoende was om tot een veroordeling te komen en sprak verdachte vrij van beide feiten. Het vonnis werd uitgesproken op 25 april 2019 door de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van valse aangifte en poging tot ambtsdwang wegens onvoldoende bewijs.