Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beslissing
de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolgingvan verdachte.
Rechtbank Overijssel
De rechtbank Overijssel behandelde een zaak waarin verdachte werd verdacht van het niet, onjuist of onvolledig verstrekken van informatie en administratie aan de Belastingdienst, waardoor te weinig belasting zou zijn geheven. De vervolging betrof het weigeren om klantdossiers te verstrekken die volgens de Belastingdienst relevant waren voor het boekenonderzoek.
De verdediging voerde aan dat het Openbaar Ministerie haar strafvorderlijke bevoegdheden had misbruikt (detournement de pouvoir) door strafrechtelijke middelen in te zetten om informatie te verkrijgen die nog onderwerp was van een fiscale bezwaar- en beroepsprocedure. De rechtbank stelde vast dat de informatiebeschikkingen nog niet onherroepelijk waren en dat de klantdossiers niet aannemelijk van belang waren voor de fiscale verplichtingen van de BV.
De rechtbank oordeelde dat het Openbaar Ministerie had moeten wachten op de uitkomst van de fiscale procedures en dat het inzetten van strafrechtelijke bevoegdheden, zoals doorzoeking en beslag, in deze fase onrechtmatig was. Hierdoor werd het verbod van detournement de pouvoir overtreden, wat leidde tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging.
De rechtbank wees verder alle andere argumenten van de verdediging achterwege vanwege deze fundamentele procesrechtelijke schending en sprak het vonnis uit op 4 maart 2019.
Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard wegens overtreding van het verbod van detournement de pouvoir.