ECLI:NL:RBOVE:2018:3198

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 augustus 2018
Publicatiedatum
5 september 2018
Zaaknummer
C/08/219827 / KG ZA 18-183
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering tot ondertekening akte van toedeling woning na echtscheiding

Partijen zijn gehuwd geweest en op 27 juli 2016 is hun echtscheiding uitgesproken door de Rechtbank Overijssel. Uit het huwelijk is een minderjarig kind geboren. In de beschikking van 22 augustus 2016 is bepaald dat de woning aan de man wordt toegescheiden, onder de voorwaarde dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening.

Er is een akte van verdeling opgemaakt in verband met de toedeling van de woning, maar de vrouw weigerde deze te ondertekenen. De man vorderde daarom in kort geding dat de vrouw wordt veroordeeld tot medewerking aan de totstandkoming van de akte en dat het vonnis in de plaats treedt van haar ondertekening, alsmede veroordeling in de proceskosten.

Tijdens de procedure heeft de vrouw alsnog de akte ondertekend, waardoor de man de hoofdvorderingen introk, maar hij vorderde nog wel een beslissing over de proceskosten. De voorzieningenrechter oordeelde dat de vrouw geen geldige reden had voor haar weigering en veroordeelde haar in de proceskosten, waarbij rekening werd gehouden met een toevoeging aan de man. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De vrouw wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten wegens weigering de akte van verdeling te ondertekenen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Almelo
zaaknummer / rolnummer: C/08/219827 / KG ZA 18-183
Vonnis in kort geding van 9 augustus 2018
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eiser, hierna te noemen de man,
advocaat mr. M. ter Brake te Delden,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde, hierna te noemen de vrouw,
verschenen in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 11 juli 2018 met producties,
  • de mondelinge behandeling van 31 juli 2018,
  • de e-mail van de gemachtigde van de man van 8 augustus 2018.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn gehuwd geweest. Op 27 juli 2016 is door de Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo , de echtscheiding uitgesproken. De echtscheiding is ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand van de gemeente Almelo op 8 augustus 2016.
2.2.
Uit het huwelijk van partijen is geboren het thans nog minderjarige kind:
[A] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .
2.3.
In de beschikking van de Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 22 augustus 2016 is bepaald dat de woning, staande en gelegen aan [het adres] te [woonplaats] , aan de man wordt toegescheiden evenals de hypothecaire lening bij Directbank en de spaarverzekering bij de Goudse Levensverzekering onder de voorwaarde dat de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid.
2.4.
Onder meer in verband met de toedeling van de woning aan de man is er een akte van verdeling opgemaakt. De vrouw heeft geweigerd die akte te ondertekenen.

3.De beoordeling

3.1.
De man heeft gevorderd dat de vrouw wordt veroordeeld tot medewerking aan de totstandkoming van de akte van verdeling door deze alsnog te ondertekenen en verzocht te bepalen dat, indien de vrouw daarmee ook na een veroordelend vonnis in gebreke blijft, het vonnis in de plaats treedt van de akte, althans in de plaats van de ondertekening van de vrouw. Voorts heeft hij gevorderd dat de vrouw wordt veroordeeld in de proceskosten.
3.2.
De man heeft bij e-mail van 8 augustus 2018 de voorzieningenrechter bericht dat de vrouw op 7 augustus 2018 conform de ter zitting door partijen gemaakte afspraak de akte van verdeling bij de notaris heeft getekend en dat om die reden de eerste twee vorderingen worden ingetrokken. De man wil wel een beslissing omtrent de proceskosten.
3.3.
De man stelt dat hij nodeloos kosten voor deze procedure heeft moeten maken omdat de vrouw om oneigenlijke redenen heeft geweigerd haar medewerking te verlenen aan de overdracht van haar aandeel in de woning aan de man. De man vordert om die reden de vrouw te veroordelen in de proceskosten.
3.4.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding af te wijken van het uitgangspunt dat in geschillen in de relatiesfeer de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd. De vrouw had het aanhangig maken van het kort geding en de daarmee gepaarde kosten eenvoudig kunnen voorkomen door de afspraken in de beschikking van 22 augustus 2016 uit te voeren. De vrouw heeft geen enkele geldige reden gegeven waarom zij tot eergister niet heeft willen meewerken. De vrouw zal daarom, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten. Aangezien aan de man een toevoeging is verleend zijn de kosten voor het uitbrengen van de dagvaarding (exclusief verschotten zoals informatiekosten) in debet gesteld. Deze kosten komen daarom niet voor vergoeding aan de man in aanmerking. De kosten aan de zijde van de man worden begroot op:
- dagvaarding € 0,00
- informatiekosten € 1,57
- griffierecht € 79,00
- salaris advocaat €
633,00
totaal € 713,57

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1.
veroordeelt de vrouw in de proceskosten, aan de zijde van de man tot op heden begroot op € 713,57, bij niet voldoening binnen veertien dagen na dagtekening vonnis te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro over dit bedrag met ingang van veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
4.2.
veroordeelt de vrouw in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat de vrouw niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;
4.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Haarhuis en in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2018. [1]

Voetnoten

1.type: