ECLI:NL:RBOVE:2018:1621
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - meervoudig
- H.R. Schimmel
- W.F. Bijloo
- W.M.B. Elferink
- Rechtspraak.nl
Onverschuldigde doorbetaling WAO-uitkering en terugvordering afgewezen beroep
Eiseres ontving vanaf 23 november 2004 tot en met september 2016 onterecht een WAO-uitkering, nadat haar recht op deze uitkering was ingetrokken. Verweerder vorderde een bedrag van €191.755,61 terug, waarop eiseres bezwaar maakte en beroep instelde.
De rechtbank stelde vast dat de terugvordering dwingendrechtelijk is voorgeschreven in artikel 57 van Pro de WAO en dat de verjaringstermijn van vijf jaar pas ingaat vanaf het moment dat verweerder bekend werd met de onrechtmatigheid, namelijk na anonieme meldingen in 2016. De terugvordering is dus tijdig ingesteld.
Eiseres voerde aan dat zij niet wist van het intrekken van haar uitkering en dat verweerder verantwoordelijk is voor het systeemfoutje, en beriep zich op verjaring en dringende redenen om terugvordering te voorkomen. De rechtbank verwierp deze verweren, oordeelde dat de financiële gevolgen niet onaanvaardbaar zijn en dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er bijzondere omstandigheden zijn om van terugvordering af te zien.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel op 9 mei 2018.
Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering van onverschuldigd betaalde WAO-uitkeringen wordt ongegrond verklaard.