Uit een verbroken relatie tussen de ouders zijn twee kinderen geboren, waaronder een jongmeerderjarige die het volwassenonderwijs volgt. De moeder verzocht de rechtbank om een maandelijkse bijdrage van de vader in de kosten van levensonderhoud en studie van de jongmeerderjarige en in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind.
De vader betwistte de gevorderde bedragen en stelde lagere bijdragen voor. De rechtbank onderzocht de netto besteedbare inkomens van beide ouders in 2012, het jaar van het uiteengaan, en hanteerde het voormalig gezinsinkomen als uitgangspunt voor de behoeftebepaling van de kinderen.
Voor het minderjarige kind werd de behoefte vastgesteld op €429,- per maand en voor de jongmeerderjarige op €486,- per maand, rekening houdend met wettelijke normen en tegemoetkomingen. De draagkracht van beide ouders werd berekend, waarbij een zorgkorting van 25% werd toegepast voor het minderjarige kind.
De rechtbank bepaalde dat de vader een bijdrage van €108,- per maand moet betalen voor het minderjarige kind en €214,- per maand voor de jongmeerderjarige, ingaande 7 augustus 2017. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders verzochte werd afgewezen.