Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen: gemeente Zwolle,
Procesverloop
Overwegingen
“de alternatieven inzake boombehoud zijn uitputtend onderzocht en gebleken is dat alternatieven voor het vellen niet aanwezig of onmogelijk zijn.”
algemeenbelang betreft. De tekst van artikel 6, tweede lid, van de verordening leidt niet tot een dergelijke beperkte uitleg. De voorzieningenrechter vermag niet in te zien waarom een zwaarwegend persoonlijk belang niet tevens tot vergunningverlening zou mogen leiden. De voorzieningenrechter wijst er op dat de tekst van de bepaling die ruimte laat. Dat betekent naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet dat de tekst van de bepaling onduidelijk is, hetgeen er toe zou kunnen leiden dat voor de uitleg van die bepaling gekeken dient te worden naar bijvoorbeeld de toelichting bij de verordening.
“er sprake is van een zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang dat opweegt tegen het belang van duurzaam behoud van de beschermde houtopstand”.
(zwaarwegende) algemeen maatschappelijke belangen. Weliswaar is er sprake van een gelijk en gezamenlijk belang van de bewoners van de betrokken acht percelen, maar dat leidt de voorzieningenrechter er zonder nadere toelichting van verweerder vooralsnog niet toe om dat gezamenlijk belang als een algemeen en maatschappelijk belang aan te merken. Ook uit het advies van de commissie bezwaarschriften maakt de voorzieningenrechter niet op waarom de commissie tot de conclusie is gekomen dat wel sprake is van een algemeen en maatschappelijk belang nu de commissie zonder nadere toelichting dat heeft aangenomen.
Beslissing
- schorst het besluit van verweerder van 31 augustus 2017 en bepaalt dat de derde partij tot vier weken na de bekendmaking van de uitspraak op het beroep met procedurenummer 17/2213 geen gebruik mag maken van de op 16 februari 2017 verleende omgevingsvergunning;
- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 333,-- aan verzoekster vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 990,-- ter zake van verleende rechtsbijstand.