De Stichting Aeres Groep, Stichting HAS Opleidingen en Stichting Hall Larenstein hebben beroep ingesteld tegen besluiten van de minister van Economische Zaken die de rijksbijdragen voor het agrarisch hoger onderwijs in 2016 vaststelden en de intrekking van de Regeling Praktijkleren en Groene Plus. Eiseressen betoogden dat de intrekking van deze regeling zonder compensatie neerkwam op ongelijke behandeling ten opzichte van andere hogescholen, in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
De minister voerde aan dat de rijksbijdrage volgens een lumpsum verdeelmodel wordt vastgesteld, waarbij de agrarische hogescholen gefinancierd worden uit het EZ-budget en andere hogescholen uit het OCW-budget, waardoor geen sprake is van gelijke gevallen. Daarnaast wees de minister op de wettelijke grondslag in de WHW en het feit dat de Regeling sinds 2011 een aanvullende bijdrage betrof, geen basisbekostiging.
De rechtbank oordeelde dat de Regeling inderdaad een aanvullende bekostiging betrof en geen basisbekostiging, zodat het beroep op ongelijke behandeling faalt. Ook is het verschil in financieringsbronnen tussen EZ en OCW een rechtvaardiging voor het onderscheid. Verder is voldaan aan de redelijke termijn voor afbouw van de subsidie. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling wordt niet toegewezen.