ECLI:NL:RBOVE:2017:4010

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
26 oktober 2017
Publicatiedatum
26 oktober 2017
Zaaknummer
AK_17_1971
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen besluit in de zin van de Awb bij verzoek Raad voor de Kinderbescherming

Eiseres maakte bezwaar tegen het verzoek van het college van burgemeester en wethouders van Hengelo aan de Raad voor de Kinderbescherming om onderzoek te doen. Verweerder verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het verzoek geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) betreft. De rechtbank bevestigt dat het verzoek niet gericht is op rechtsgevolg, maar op feitelijk handelen, waardoor het niet kwalificeert als een besluit volgens artikel 1:3 Awb Pro.

Eiseres had daarnaast een civiele procedure gestart en erkende tegenover de burgerlijke rechter dat het verzoek geen Awb-besluit is. De rechtbank ziet hierin geen reden om eiseres te veroordelen in proceskosten wegens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht, ondanks dat zij zowel bestuursrechtelijk als civiel heeft geprocedeerd.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat verzet open binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het verzoek aan de Raad voor de Kinderbescherming geen besluit in de zin van de Awb is.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 17/1971

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres]te [woonplaats] eiseres,
gemachtigde: mr. A. Gerards,
en
het college van burgemeester en wethouders van Hengelo, verweerder,
gemachtigde: mr. M. Ichoh.

Procesverloop

Eiseres heeft tegen de beslissing op bezwaar van 2 augustus 2017 beroep ingesteld.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Op 31 mei 2017 heeft verweerder een verzoek tot onderzoek bij de Raad voor de Kinderbescherming gedaan. Met een email van 22 mei 2017 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen dit verzoek. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder stelt daartoe dat deze beslissing geen grondslag vindt in het publiekrecht en ook niet is gericht op rechtsgevolg.
3. Het beroep is gericht tegen een besluit op bezwaar zodat de bestuursrechter bevoegd is daarover te oordelen. De vraag is of de primaire beslissing tot het doen van een verzoek aan de Raad voor de Kinderbescherming is aan te merken als een besluit in de zin van de Awb. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Met het begrip rechtshandeling wordt bedoeld op een handeling die naar haar aard op rechtsgevolg is gericht.
4. Het verzoek tot het doen van een onderzoek is niet gericht op rechtsgevolg, maar op feitelijk handelen. Er worden immers door een dergelijk onderzoek voor eiseres geen rechten of plichten in het leven geroepen. Van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb is geen sprake, zodat tegen het verzoek tot het doen van een onderzoek geen bezwaar open staat. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres met het besluit van 2 augustus 2017 terecht niet-ontvankelijk verklaard.
5. Eiseres heeft ook een vordering bij de burgerlijke rechter ingesteld. Uit het vonnis van 3 oktober 2017 blijkt dat (gemachtigde van) eiseres tegenover de civiele rechter heeft verklaard van mening te zijn dat de aanvraag tot (hernieuwd) raadsonderzoek geen besluit in de zin van de Awb betreft. Anders dan verweerder heeft verzocht ziet de rechtbank hierin geen aanleiding eiseres wegens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht te veroordelen in de proceskosten in deze bestuursrechtelijke procedure. Het ‘voor twee ankers gaan liggen’, wat gemachtigde aldus heeft gedaan, ziet de rechtbank niet als zodanig onredelijk gebruik.
6. Het beroep is kennelijk ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.B. Elferink, rechter, in aanwezigheid van
mr. F. Ernens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van verzet is verstreken of, indien verzet wordt ingesteld, op dat verzet is beslist.