Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het verloop van de procedure
- € 2.150,-- (beslagnr. E.03.01.001),
- € 8.850,-- (beslagnr. E.03.01.003) en
- € 24.000,-- (beslagnr. E.03.01.004).
Rechtbank Overijssel
Klager diende een klaagschrift in tegen het beslag op contant geld dat onder zijn zoon was gelegd in een strafzaak. Hij stelde dat het geld aan hem toebehoorde omdat hij het in bewaring had gegeven aan zijn zoon. De raadkamer behandelde het klaagschrift op 26 april 2017, waarbij ook de officier van justitie en klager werden gehoord. De zoon van klager was opgeroepen maar verscheen niet.
De officier van justitie voerde aan dat het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag rechtvaardigt, omdat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter het geld zal verbeurdverklaren. Daarnaast stelde de officier dat het geld niet fysiek was afgescheiden van het vermogen van de zoon en dat klager slechts een vordering op zijn zoon heeft, niet het eigendomsrecht.
De raadkamer oordeelde dat het onderzoek naar het klaagschrift summier is en dat het belang van de strafvordering zwaarder weegt. Er waren voldoende aanwijzingen dat de zoon betrokken is bij witwasactiviteiten, waardoor verbeurdverklaring niet onwaarschijnlijk is. Tevens was onvoldoende aannemelijk dat klager als rechthebbende kan worden beschouwd. Daarom verklaarde de raadkamer het klaagschrift ongegrond.
Uitkomst: Het klaagschrift wordt ongegrond verklaard en het beslag op het contante geld blijft gehandhaafd.