ECLI:NL:RBOVE:2017:2237
Rechtbank Overijssel
- Raadkamer
- Hendriks
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift ongegrond verklaard tegen DNA-afname na veroordeling voor medeplegen oplichting en valsheid in geschrifte
De veroordeelde werd bij vonnis van 9 december 2016 veroordeeld voor medeplegen van oplichting, valsheid in geschrifte en witwassen. Op grond van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden gaf de officier van justitie op 23 januari 2017 het bevel tot afname van celmateriaal van de veroordeelde voor DNA-onderzoek.
De veroordeelde maakte bezwaar tegen deze afname, stellende dat gezien de aard van het misdrijf en het ontbreken van recidivegevaar de uitzonderingsbepaling van artikel 2 lid 1 onder Pro b van de Wet van toepassing zou moeten zijn. De officier van justitie betoogde dat de uitzonderingsbepaling een beperkte reikwijdte heeft en dat DNA-onderzoek zinvol kan zijn bij valsheid in geschrifte vanwege mogelijke contactsporen.
De raadkamer oordeelde dat de uitzonderingsbepaling niet van toepassing is, omdat het redelijkerwijs aannemelijk is dat het DNA-profiel kan bijdragen aan opsporing en vervolging. De motieven van de veroordeelde boden onvoldoende grond voor toepassing van de uitzondering. Het bezwaarschrift werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het bezwaarschrift tegen de afname van het DNA-profiel is ongegrond verklaard.