ECLI:NL:RBOVE:2017:1979

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
12 mei 2017
Publicatiedatum
12 mei 2017
Zaaknummer
AWB 17/915 en 17/916
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b OpiumwetArt. 31 Drank- en horecawetArt. 4 Damoclesbeleid 2013Art. 27 Drank- en horecawet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sluiting supportershome Vak-P wegens handel in cocaïne

Op 6 april 2017 vond een politieactie plaats in het supportershome Vak-P bij FC Twente, waarbij 17,23 gram cocaïne werd aangetroffen, een hoeveelheid die handel en niet eigen gebruik impliceert. De burgemeester van Enschede legde daarop een last onder bestuursdwang op en trok de Drank- en horecawetvergunning in, met een sluiting tot 15 april 2018.

Verzoekster, het bestuur van Supportersvereniging Vak-P, maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om de sluiting op te heffen, met name vanwege de financiële belangen bij de laatste thuiswedstrijd op 14 mei 2017. De voorzieningenrechter oordeelde dat het aantreffen van de cocaïne en de hoeveelheid voldoende grond vormen voor het besluit en dat het alternatief scenario van verzoekster niet aannemelijk was.

Ook het beroep op het verbod van willekeur, het Damoclesbeleid en het ontbreken van verwijtbaarheid aan verzoekster werden verworpen. De rechter vond geen bijzondere omstandigheden die een afwijking van het beleid rechtvaardigen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen en het besluit bleef in stand.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het sluitingsbesluit en de intrekking van de DHW-vergunning wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 17/915 en 17/916
uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
(het bestuur van) Supportersvereniging Vak P Enschede, te Enschede, verzoekster,
gemachtigde: mr. U. Ural, advocaat te Enschede,
en

de burgemeester van Enschede, verweerder,

gemachtigde: mr. M.H. Blokvoort, advocaat te Deventer,
Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:
GOS Enschede VOF(eigenaar/verhuurder) en
FC Twente ’65(verhuurder)
.

Procesverloop

Bij besluit van 13 april 2017 (bestreden besluit) heeft verweerder aan verzoekster een last onder bestuursdwang opgelegd om het supportershome Vak P (hierna: het supportershome) aan het Colosseum 91 te Enschede per 15 april 2017 te sluiten en gesloten te houden tot 15 april 2018 (sluitingsbesluit). Bij hetzelfde besluit heeft verweerder met ingang van dezelfde datum de Drank- en horecawetvergunning (hierna: DHW-vergunning) van verzoekster ingetrokken en daarbij aangegeven dat gedurende een periode van twee jaren na deze intrekking ingediende nieuwe aanvragen voor een DHW-vergunning voor de inrichting op het perceel Colosseum 91 zullen worden geweigerd.
Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2017. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en secretaris [naam 1] . Verder zijn namens verzoekster [naam 2] en [naam 3] (voorzitter) verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. E. Hardenberg. Op verzoek van verweerder was tevens [naam 4] , werkzaam bij de Politie, aanwezig. Namens derde partij FC Twente ’65 zijn [naam 5] en [naam 6] verschenen.

Overwegingen

1.1.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.2.
Op 6 april 2017 tijdens de wedstrijd FC Twente – PSV heeft er in het stadion van FC Twente een politieactie plaatsgevonden in het supportershome van verzoekster. Het doel van deze actie was het vaststellen en beëindigen van de (vermoedelijke) handel in verdovende middelen. Tijdens deze actie heeft er – onder meer – in het supportershome van verzoekster een doorzoeking plaatsgevonden. De politie heeft verweerder middels een tweetal uitgebrachte Bestuurlijke Rapportages Drugshandel (bestuurlijke rapportage[s]) van 10 april 2017 en 20 april 2017 geïnformeerd dat tijdens deze doorzoeking op zes verschillende plekken in het supportershome harddrugs is aangetroffen met een gezamenlijk gewicht van 17,23 gram, te weten:
- op 1 locatie: 10 zogenaamde ponypacks (Smiley), inhoud netto 3,86 gram cocaïne;
- op 1 locatie: een gripzakje met 24 ponypacks (Partyseal), inhoud netto 8,08 gram cocaïne;
- op diverse locaties afzonderlijke ponypacks (Pinguin en Smiley), alle met inhoud cocaïne.
1.3.
Verweerder heeft naar aanleiding van de door hem ontvangen bestuurlijke rapportage van 10 april 2017 zijn voorgenomen besluit aan verzoekster en derde partijen meegedeeld. Verzoekster heeft van de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen gebruik gemaakt. Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit aan verzoekster en derde partijen bekend gemaakt.
Het spoedeisend belang:
1.4.
De gemachtigde van verzoekster heeft ter onderbouwing van het spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening onder meer aangevoerd dat verzoekster in financiële zin voor een belangrijk deel afhankelijk is van de inkomsten die tijdens thuiswedstrijddagen van FC Twente worden gegenereerd. Dit geldt volgens verzoekster te meer voor de laatste thuiswedstrijd die zal worden gehouden op 14 mei 2017. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een spoedeisend belang verzoekster niet kan worden ontzegd. Voorstelbaar is dat met name op de laatste speeldag van de competitie, tevens de laatste dag van het seizoen dat het supportershome geopend is, het belang van de vereniging groot is om van haar verenigingslokaal gebruik te kunnen maken. De voorzieningenrechter ziet in dat gegeven voldoende reden om het verzoek inhoudelijk te behandelen.
2. Het wettelijk kader:
a. sluitingsbesluit
Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
Bij de uitoefening van de in artikel 13b van de Opiumwet gegeven bevoegdheid hanteert verweerder het Damoclesbeleid 2013. Ingevolge artikel 4 sub Pro 1 van dit beleid wordt bij handel in harddrugs het lokaal voor een periode van 12 maanden gesloten.
b. intrekking DHW-vergunning
Artikel 31, eerste lid, onder c, van de Drank- en horecawet (DHW) bepaalt dat een vergunning door de burgemeester wordt ingetrokken, indien zich in de betrokken inrichting feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven der vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid.
Artikel 27, tweede lid, van de DHW bepaalt dat een vergunning ten aanzien van een inrichting, waarvan de vergunning op grond van artikel 31, eerste lid, onder c, is ingetrokken, gedurende een bij die intrekking vastgestelde termijn van ten hoogste vijf jaar kan worden geweigerd.
Inhoudelijke beoordeling
Het sluitingsbesluit
3.1.
In onder meer de de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 11 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2365) is geoordeeld dat enkel het aantreffen van een hoeveelheid verdovende middelen die de gebruikshoeveelheid overstijgt, maakt dat de burgemeester zijn bevoegdheid van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet mag aanwenden.
Tevens is in deze uitspraak geoordeeld dat bij de aanwezigheid van een hoeveelheid drugs in een pand die groter is dan een hoeveelheid voor eigen gebruik, in beginsel aannemelijk is dat die drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking, waarbij een hoeveelheid harddrugs van 0,5 gram als hoeveelheid voor eigen gebruik wordt aangemerkt.
Het ligt in dat geval op de weg van de rechthebbende op het pand om het tegendeel aannemelijk te maken. Indien het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is verweerder bevoegd ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet om ten aanzien van het pand een last onder bestuursdwang op te leggen.
3.2.
De voorzieningenrechter stelt vast dat niet in geschil is dat er cocaïne is aangetroffen in het supportershome en dat de gezamenlijke hoeveelheid daarvan de toegestane hoeveelheid voor persoonlijk gebruik van 0,5 gram overschrijdt. Dat enkele feit is volgens genoemde jurisprudentie voldoende voor de burgemeester dat hij mag uitgaan van een voor de handel bestemde hoeveelheid.
Het is vervolgens aan verzoekster om aannemelijk te maken dat zulks niet het geval was.
Verzoekster heeft daartoe een “alternatief scenario” gepresenteerd, inhoudende dat niet uitgesloten kan worden geacht dat meerdere personen tijdens de rust van de voetbalwedstrijd in het supportershome hebben verbleven terwijl zij in het bezit waren van hoeveelheden cocaïne voor eigen gebruik. Dat diverse ponypacks bij de doorzoeking op dezelfde plek in het home werden aangetroffen zou kunnen worden verklaard doordat meerdere personen bij elkaar hebben gestaan op het moment dat de doorzoeking begon en zij daarop tegelijk en op die plek hun ponypacks op de grond hebben gegooid.
De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat met het enkele voorhouden van een “alternatief scenario” niet aannemelijk is gemaakt dat de aangetroffen hoeveelheden cocaïne niet bestemd waren voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Het door verzoekster geschetste scenario wordt op geen enkele wijze onderbouwd met objectief verifieerbare informatie, dan wel anderszins bijvoorbeeld door verklaringen van personen die ten tijde van het onderzoek aanwezig waren. De voorzieningenrechter wijst er in dit verband op dat op verschillende plekken concentraties van ponypacks zijn aangetroffen waarvan in een geval meerdere ponypacks tezamen in een gripzakje. In al die gevallen overstijgt de vondst van de cocaïne op die locaties de toegestane hoeveelheid voor eigen gebruik. Uit de bestuurlijke rapportage van 20 april 2017 blijkt voorts dat tevens cocaïne is gevonden nadat een drietal statafels van de muur werden getrokken waarna tussen statafel drie en een (voorste) dartbord op de grond een zakje werd aangetroffen met daarin een hoeveelheid gesloten ponypacks.
Verzoekster heeft, gelet op het voorgaande, met haar standpunt niet aannemelijk gemaakt dat de aangetroffen hoeveelheid cocaïne niet voor de verkoop, aflevering of verstrekking was bestemd.
3.3.
Verzoekster heeft gesteld dat verweerder niet slechts af mag gaan op de bestuurlijke rapportages. Zij meent onder verwijzing naar een eerdere zaak uit 2006, dat verweerder pas tot besluitvorming mag overgaan als hij ook kennis heeft genomen van bijvoorbeeld verklaringen van eventuele verdachten dan wel andere betrokkenen.
De voorzieningenrechter volgt verzoekster niet in haar standpunt. Uit de vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld 28 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN2660) blijkt dat verweerder mag afgaan op de inhoud van de op ambtseed opgemaakte en ondertekende bestuurlijke rapportage van de politie. De voorzieningenrechter volgt deze jurisprudentie, te meer nu hem niet is gebleken dat deze rapportages, voor zover deze thans relevant zijn, niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen.
De voorzieningenrechter acht, voorlopig oordelend, in dit verband nog van belang dat de inhoud van de bestuurlijke rapportages in het kader van het sluitingsbesluit geen verdere relevantie hebben dan de constatering dat er middelen zijn gevonden in het supportershome, dat het verdovende middelen zijn van een bepaalde soort en van een bepaalde hoeveelheid. Hetgeen overigens in die bestuurlijke rapportages is vermeld raakt het sluitingsbesluit niet.
Nu verzoekster desgevraagd ter zitting heeft verklaard dat deze relevante bevindingen in de bestuurlijke rapportages niet ter discussie staan, heeft verweerder deze bevindingen voor juist kunnen houden en heeft hij deze bevindingen ten grondslag mogen leggen aan het op artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet gebaseerde sluitingsbesluit.
Zoals hiervoor is overwogen, volgt uit de bestuurlijke rapportages dat op 6 april 2017 17,23 gram cocaïne is aangetroffen in het supportershome van verzoekster. Dit wordt niet bestreden door verzoekster.
Gelet op hetgeen overigens hiervoor is overwogen was verweerder, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, bevoegd om handhavend op te treden.
Verweerder heeft ter zake van de uitoefening van zijn handhavingsbevoegdheid het zogenaamde Damoclesbeleid 2013 vastgesteld.
Volgens artikel 4, eerste lid, van dat beleid reageert de burgemeester op de hierna vermelde wijze op handel in drugs in lokalen die geen coffeeshop zijn: bij handel in harddrugs wordt het lokaal voor een periode van 12 maanden gesloten.
De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat dat beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaat.
Gelet daarop was verweerder bevoegd om het sluitingsbesluit te nemen.
3.4.
Niet is naar voorlopig oordeel gebleken van bijzondere omstandigheden op basis waarvan verweerder van het sluitingsbesluit had behoren af te zien.
3.4.1.
Verzoekster stelt dat uit de bestuurlijke rapportages blijkt dat volgens de observaties met name in delen van het stadion waarover verzoekster geen zeggenschap heeft doch FC Twente, zoals de gracht, de tribune en de toiletgroep onder de tribune drugsgebruik plaatsvindt. Verzoekster vindt het dan ook niet redelijk dat verweerder wel gebruik maakt van zijn bevoegdheid jegens haar en niet tevens jegens andere verantwoordelijken in het stadion. Verzoekster meent dan ook dat verweerder in strijd met het verbod van willekeur heeft gehandeld.
De voorzieningenrechter volgt verzoekster niet in haar standpunt. In de bestuurlijke rapportages wordt melding gemaakt van waarnemingen/observaties van gedragingen op de tribune, de gracht en de toiletgroepen onder de tribune van Vak P waaraan het vermoeden kan worden ontleend dat daar sprake is van drugsgebruik. Het onderzoek dat op 6 april 2017 heeft plaatsgevonden heeft zich niet verder uitgestrekt dan het supportershome. Niet ook heeft zo’n onderzoek plaatsgevonden op de tribune, in de gracht en in de toiletgroep onder de tribune. De bestuurlijke rapportages bevatten derhalve geen informatie over op die locaties aangetroffen verdovende middelen en kunnen dan ook geen grondslag vormen voor een handhavend optreden jegens die anderen. Reeds daarom kan niet worden geoordeeld dat er sprake is van strijd met het verbod op willekeur.
Voor zover verzoekster meent dat verweerder in strijd met het verbod op willekeur heeft gehandeld door wel bij haar een onderzoek te doen en niet op andere locaties, overweegt de voorzieningenrechter dat die kwestie buiten dit geding valt.
Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat ter zitting is verklaard dat nog een verderstrekkend onderzoek gaande is.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter handelt verweerder dan ook niet in strijd met het verbod op willekeur.
3.4.2.
Verzoekster is van mening dat haar belang een afwijking van dat Damoclesbeleid rechtvaardigt. In dat verband heeft zij er op gewezen dat het haar niet kan worden verweten dat derden met drugs in haar supportershome hebben verbleven tijdens de rust. Het is voor haar niet mogelijk om gelet op de beperkte tijd van de rust en de grote toestroom van mensen in die korte tijd controle uit te voeren op de personen die het supportershome binnen komen.
De voorzieningenrechter ziet in de geschetste omstandigheid geen zodanig bijzonder te achten omstandigheid dat die een afwijking van het beleid rechtvaardigt. In dit verband wijst de voorzieningenrechter er op dat uit de vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat voor het ontstaan van de bevoegdheid tot sluiting van het supportershome niet relevant is of verzoekster wetenschap had van de aanwezigheid van drugs in het supportershome of dat haar geen verwijt kan worden gemaakt. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet brengt reeds de aanwezigheid van voor verkoop, aflevering of verstrekking bestemde verdovende middelen in het supportershome de bevoegdheid met zich om tot sluiting over te gaan (zie bijvoorbeeld de Afdeling van 10 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:634).
Voorts is ter zitting niet gebleken dat verzoekster op enigerlei wijze activiteiten ontplooit ter voorkoming van de aanwezigheid van drugs in het supportershome. Uit het verhandelde ter zitting heeft de voorzieningenrechter begrepen dat verzoekster in de rust iedereen zonder uitzondering en zonder enige vorm van controle in haar lokaal toelaat. Daarmee loopt verzoekster de kans dat derden het supportershome binnenkomen met verkeerde bedoelingen. Dat komt evenwel voor rekening en risico van verzoekster.
Overigens is de voorzieningenrechter ter zitting gebleken dat verzoekster voor en na de wedstrijd alleen toegang verleent aan haar leden. Daarbij vindt geen andere controle plaats dan die van de lidmaatschapspas. Dat bergt eveneens het risico in zich dat personen het supportershome binnenkomen met verkeerde bedoelingen. Blijkbaar accepteert verzoekster dat deze personen en deze middelen zich in haar lokaal kunnen bevinden.
3.4.3.
De voorzieningenrechter ziet ook overigens geen aanleiding om het belang van verzoekster bij openstelling van het supportershome te laten prevaleren boven het algemeen belang dat wordt gediend met de sluiting en het gesloten houden van het supportershome. Ook niet voor zover dat alleen betrekking heeft op de dag waarop de laatste thuiswedstrijd van FC Twente plaatsvindt, 14 mei 2017. Dat verzoekster daardoor inkomsten derft acht de voorzieningenrechter niet een zodanig zwaarwegend belang dat om die reden het algemeen belang ter zijde geschoven zou moeten worden. Ook de ter zitting gestelde vrees dat door de sluiting van het supportershome de vereniging leden zal verliezen en daarmee haar bestaansrecht op het spel zal komen te staan, wat ook zij van die niet onderbouwde stelling, leidt niet tot toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening, aangezien die vrees ziet op de sluiting gedurende het gehele jaar en de uitspraak op het onderhavige verzoek niet zover reikt.
3.4.4.
De voorzieningenrechter wijst er voorts nog op dat het doel van de sluiting van het supportershome is dat een einde wordt gemaakt aan een met artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet strijdige situatie. Daartoe is het niet onredelijk dat een lokaal waarin een daarmee strijdige situatie is vastgesteld gedurende langere tijd gesloten wordt gehouden. Om zo’n lokaal zo kort nadat het gesloten is reeds weer te openen, zijn heel bijzondere omstandigheden nodig om te voorkomen dat een ongewenst precedent wordt gecreëerd. Dergelijke omstandigheden heeft de voorzieningenrechter in dit geval niet aangetroffen.
De intrekking van de DHW-vergunning
4.1.
Verweerder heeft aan de intrekking van de DHW-vergunning dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd als waarop het sluitingsbesluit is gebaseerd. Dat betekent derhalve dat de aanwezigheid van de 17,23 gram cocaïne in het supportershome tevens reden vormt voor de intrekking van de DHW-vergunning.
Niet in geschil is dat dit feit reden oplevert voor de intrekking van de DHW-vergunning op grond van artikel 31, eerste lid, onder c, van de DHW. Ook de voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat de aanwezigheid van 17,23 gram cocaïne voldoende reden vormt voor de intrekking van de DHW-vergunning.
4.2.
Verweerder heeft tevens aan de intrekking ten grondslag gelegd het gebruik van de nooddeur en het deurbeleid van verzoekster. Verweerder heeft zijn standpunt gebaseerd op waarnemingen/observaties zoals vermeld in de bestuurlijke rapportage van 10 april 2017.
Hiervoor is vermeld dat verzoekster meent dat verweerder niet enkel af had mogen gaan op de inhoud van de bestuurlijke rapportage. Verzoekster meent voorts dat uit niets is gebleken dat er sprake is van onjuist gebruik van de nooddeur en voorts dat voor zover daarvan wel sprake zou zijn het onjuiste gebruik haar niet kan worden aangerekend. Zij meent dat de verantwoordelijkheid daarvoor ligt bij FC Twente. Ook met betrekking tot haar deurbeleid meent verzoekster dat haar geen verwijt is te maken.
De voorzieningenrechter ziet naar voorlopig oordeel geen aanleiding om hetgeen partijen ter zake hebben gesteld nader te beoordelen nu, wat er ook zij van hun standpunten, dit niet zal leiden tot het oordeel dat het besluit niet in stand kan blijven. Zoals hiervoor is overwogen vormt de bij rechtsoverweging 4.1. reeds beoordeelde intrekkingsgrond voldoende grond om het intrekkingsbesluit te dragen.
4.3.
Nu artikel 31, eerste lid, onder c, van de DHW een imperatief karakter draagt, was verweerder dan ook gehouden de DHW-vergunning van verzoekster in te trekken.
Aanwezigheid Satudarah en Saudarah:
5.1.
Verzoekster heeft het standpunt ingenomen dat verweerder de bestreden besluiten heeft genomen met de bedoeling om de invloed of aanwezigheid van bepaalde groepen, waaronder Satudarah en Saudarah, uit te bannen. De voorzieningenrechter heeft voor dat standpunt geen grond gevonden in de bestreden besluiten. Weliswaar heeft de politie in de door haar opgestelde bestuurlijke rapportage van 10 april 2017 op ruime wijze melding gemaakt van de aanwezigheid van deze groepen dan wel personen die aan die groepen gelinkt zouden kunnen worden, uit de bestreden besluiten blijkt niet dat verweerder zulks heeft meegewogen bij zijn besluiten. Voor het verwijt van détournement de pouvoir heeft de voorzieningenrechter dan ook, mede gelet op het beperkte onderzoek dat mogelijk is in het kader van een procedure als de onderhavige, geen aanwijzingen gevonden.
6.1.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat er onvoldoende grond bestaat om aan te nemen dat het besluit van 13 april 2017 in de bezwaarprocedure niet in stand zal blijven. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het toewijzen van de gevraagde voorlopige voorziening.
6.2.
Hetgeen overigens door partijen is aangevoerd leidt de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel, zodat die punten thans niet zullen worden besproken.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van C. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.