Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.De procedure
- de dagvaarding met 14 producties
- de mondelinge behandeling op 19 april 2017.
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
Perbo/Ontvanger). Het sub (II) gevorderde dient dus te worden afgewezen.
Rechtbank Overijssel
Eiseres en gedaagde waren tot 29 april 2014 gehuwd en sloten een echtscheidingsconvenant waarin eiseres aan gedaagde een bedrag van € 10.000,- in termijnen moest betalen, inclusief de helft van de scheidingskosten.
Bij vonnis van 11 oktober 2016 werd eiseres veroordeeld tot betaling van € 6.321,50 plus wettelijke rente aan gedaagde. Gedaagde liet daarop bankbeslagen leggen op twee rekeningen van eiseres ter incasso van dit bedrag.
Eiseres vorderde in kort geding opheffing van deze bankbeslagen omdat zij als zzp-er in de thuiszorg onvoldoende inkomsten had om in haar noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien. Zij stelde dat gedaagde misbruik maakte van zijn executiebevoegdheid door geen rekening te houden met de beslagvrije voet.
De voorzieningenrechter oordeelde dat eiseres aannemelijk had gemaakt dat zij onvoldoende middelen had, mede gelet op haar bruto-inkomen, belastingaanslagen en terugboekingen door de bank wegens onvoldoende saldo. De stellingen van gedaagde over hogere inkomsten werden onvoldoende weersproken.
Daarom werden de bankbeslagen als misbruik van recht en onrechtmatig aangemerkt en opgeheven. De vordering tot verklaring dat de beslagvrije voet van toepassing is op haar inkomsten werd afgewezen wegens ongeschiktheid van kort geding voor dergelijke rechtsvaststelling. Proceskosten werden gecompenseerd.
Uitkomst: Bankbeslagen op rekeningen van eiseres worden opgeheven wegens misbruik van executiebevoegdheid.