Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
ABN AMRO BANK N.V.,
1.De procedure
- het tussenvonnis van 1 juni 2016
- de conclusie van antwoord in reconventie d.d. 13 augustus 2016
- het proces-verbaal van comparitie van 24 augustus 2016.
Rechtbank Overijssel
De bank vordert betaling van een openstaande kredietschuld van €763.916,00 van de gedaagde, die tevens aansprakelijk is als vennoot van een varkenshouderij die inmiddels is beëindigd. De bank had conservatoir beslag gelegd op percelen grasland die economisch eigendom zijn van de zoon van gedaagde, waarop ook hypotheken rusten van andere schuldeisers.
Gedaagde vordert opheffing van het beslag, stellende dat de bank geen belang heeft bij het beslag omdat de executiewaarde van de percelen lager is dan de hypothecaire vorderingen van anderen en omdat het beslag de voortzetting van de onderneming van zijn zoon en een schuldenregeling belemmert. De rechtbank overweegt dat het beslag weliswaar gerechtvaardigd was vanwege het risico van verduistering, maar dat het belang van de bank bij het beslag nihil is omdat de opbrengst bij executie aan anderen toekomt.
Daarom weegt het belang van gedaagde en zijn zoon, die de percelen economisch gebruiken en een onderneming drijven, zwaarder. Het beslag wordt opgeheven en de bank wordt veroordeeld tot doorhaling van het beslag in de openbare registers. De vordering van de bank tot betaling wordt toegewezen met rente en kosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van de bank toe en heft het conservatoir beslag op de percelen grasland op.