In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser een omgevingsvergunning aangevraagd voor het planten van wilgen op zijn perceel. Verweerder verleende aanvankelijk de vergunning, maar herroept deze later op grond van vermeende aantasting van cultuurhistorische waarden en illegale aanwezigheid van de wilgen.
De rechtbank stelt vast dat de wilgen op het moment van aanplant in 2011 vergunningvrij waren volgens het toen geldende bestemmingsplan en de Boswet, omdat het ging om niet geknotte, streekeigen eenrijige beplanting langs landbouwgrond. Hierdoor was een omgevingsvergunning niet vereist en was de vergunning bij het primaire besluit overbodig.
De herroeping van de vergunning door verweerder was gebaseerd op onjuiste gronden en onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel en handhaaft de rechtsgevolgen van de oorspronkelijke vergunning. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiser.