ECLI:NL:RBOVE:2016:3657

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
20 september 2016
Publicatiedatum
23 september 2016
Zaaknummer
08.730259-16 (TUL)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14h SrArt. 366a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid vordering tenuitvoerlegging wegens ongeldige dagbepaling door griffiemedewerker

De rechtbank Overijssel behandelde op 20 september 2016 een vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd bij vonnis van 25 mei 2016. De dagbepaling voor de terechtzitting was verricht door een griffiemedewerker met gebruikmaking van een handtekeningstempel van een rechter die op dat moment niet aanwezig was, zonder overleg met de rechter.

De verdediging stelde dat hierdoor sprake was van een ongeldige dagbepaling, waardoor de belangen van de veroordeelde werden geschaad en de officier van justitie niet ontvankelijk moest worden verklaard. De officier van justitie betoogde dat de veroordeelde niet in zijn belangen was geschaad en dat de ongeldige dagbepaling alleen de oproeping raakte, niet de ontvankelijkheid.

De rechtbank oordeelde dat de wet voorschrijft dat de dagbepaling een rechterlijke handeling is die niet gemandateerd kan worden aan griffiemedewerkers. Omdat de dagbepaling niet volgens de wettelijke voorschriften was verricht, ontbrak de grondslag voor de oproeping. Dit leidde tot de conclusie dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in haar vordering tot tenuitvoerlegging.

Uitkomst: De officier van justitie is niet ontvankelijk verklaard wegens een ongeldige dagbepaling.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht
Parketnummer : 08.730259-16 (TUL)
Datum : 20 september 2016

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling

op de op 26 juli 2016 ter griffie ingekomen vordering van de officier van justitie strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in het arrondissement Overijssel, locatie Zwolle d.d. 25 mei 2016 aan:

[veroordeelde],

geboren op [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [adres],
opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 87 dagen, waarbij de proeftijd is bepaald op 2 jaren en een aantal bijzondere voorwaarden is gesteld.
De mededeling als bedoeld in artikel 366a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is op 14 juni 2016 over de post aan de veroordeelde toegezonden
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2016 en
6 september 2016.

OVERWEEGT

Op de zitting van 5 augustus 2016 heeft de politierechter de zaak naar de meervoudige kamer van 6 september 2016 verwezen, nu gebleken is dat de dagbepaling ex artikel 14h, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is gedaan door een griffiemedewerker met gebruikmaking van een handtekeningstempel van een rechter, die op het moment van de dagbepaling niet aanwezig was.
De vraag die in deze zaak voorligt, is of er sprake is van een geldige dagbepaling, voorafgaand aan de oproeping van de veroordeelde voor de terechtzitting.
Ter terechtzitting heeft de raadsman van verdachte betoogd dat de officier van justitie in de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu een dagbepaling door de rechter ontbreekt. Volgens de raadsman is zijn cliënt in zijn belangen geschaad nu de dagbepaling tot doel heeft dat de rechter op grond van de summiere kennisneming van de stukken toetst of de vordering buiten behandeling dient te blijven. Indien deze dagbepaling niet door een rechter wordt gedaan, verliest de veroordeelde volgens zijn raadsman een instantie.
De officier van justitie heeft primair aangevoerd dat de veroordeelde niet in zijn belangen is geschaad. Subsidiair heeft de officier van justitie betoogd dat de ongeldige dagbepaling van invloed is op de geldigheid van de oproeping, en niet raakt aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie.
De rechtbank overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 14h, tweede lid, Sr is het de rechter die onmiddellijk na de indiening van de vordering een dag voor het onderzoek van de zaak bepaalt, tenzij de summiere kennisneming van de stukken hem aanleiding geeft om de vordering buiten behandeling te laten.
De rechtbank stelt vast dat in het onderhavige geval de dag voor het onderzoek niet is bepaald door de rechter maar door een medewerker van de griffie met gebruikmaking van een handtekeningstempel van de rechter. Niet in discussie is dat deze rechter ten tijde van de dagbepaling niet aanwezig was en dat er geen contact met de rechter is geweest over de dagbepaling.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de dagbepaling niet plaatsgevonden op de bij de wet voorgeschreven wijze. De vraag die vervolgens voorligt, is of en zo ja welke consequentie(s) dit heeft voor de oproeping voor de zitting die vervolgens is uitgegaan.
Uit artikel 14h, tweede lid, Sr volgt dat de rechter die de dag voor het onderzoek van de zaak bepaalt, kan beslissen dat de vordering buiten behandeling blijft. Dit betekent dat vóórdat een eventuele openbare behandeling van de vordering aanvangt, een toets plaatsvindt over de vraag of de zaak al dan niet (in het openbaar) aanhangig wordt gemaakt. De wetgever heeft daarbij – gelet op de gevolgen die de uitkomst van een dergelijke toets met zich brengt, te weten het zich al dan niet in het openbaar moeten verantwoorden voor de strafrechter – voorgeschreven dat dit een rechterlijke toets is. Dit betekent dat deze toets, en daarmee de dagbepaling, niet gemandateerd kan worden aan griffiemedewerkers of anderen.
De rechtbank concludeert op grond van het vorenstaande dat er geen geldige dagbepaling heeft plaatsgevonden. Dit heeft tot gevolg dat de grondslag voor de oproeping ter terechtzitting ontbreekt, zodat de officier van justitie niet in de vordering kan worden ontvangen.

BESLISSING

De rechtbank:
- verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk.
Aldus gedaan door mr. M. van Bruggen, voorzitter en mrs. S.M.M. Bordenga en
N.J.C. Monincx, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.R. Lageveen als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 september 2016.