Uitspraak
Rechtbank Overijssel
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
.
Rechtbank Overijssel
De rechtbank Overijssel behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het niet melden van de verkoop van grote hoeveelheden aceton en zwavelzuur aan bevoegde instanties, wat volgens de wet verplicht is om misbruik voor de productie van verdovende middelen te voorkomen.
De officier van justitie vorderde veroordeling op grond van het wettig en overtuigend bewezen achten van het feit, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte met het argument dat mogelijk wel meldingen zijn gedaan door anderen en dat onvoldoende bewijs bestond dat verdachte persoonlijk niet aan de meldplicht had voldaan.
De rechtbank oordeelde dat het cruciale bestanddeel van het strafbare feit, het niet melden, onvoldoende wettig bewezen was. De enige schriftelijke aanwijzing, een e-mail van de Belastingdienst, kon slechts als steunbewijs dienen en er waren geen aanvullende bewijzen die voldeden aan de wettelijke eisen.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van de tenlastelegging dat hij niet aan zijn meldplicht had voldaan met betrekking tot de verkoop van aceton en zwavelzuur.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende wettig bewijs dat hij niet aan zijn meldplicht heeft voldaan.