ECLI:NL:RBOVE:2016:1777

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
14 april 2016
Publicatiedatum
24 mei 2016
Zaaknummer
C/08/179644 / FA RK 15-2891
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:395a BWArt. 1:392 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vaststelling alimentatie voor meerderjarig kind wegens onvoldoende behoefte

De rechtbank Overijssel behandelde het verzoek van een 21-jarig kind om de alimentatiebijdrage van haar vader te verhogen. De moeder en vader zijn gescheiden en er was eerder een bijdrage vastgesteld. Het verzoek richtte zich op een verhoging van de bijdrage voor levensonderhoud en studie vanaf oktober 2015.

De rechtbank stelde vast dat ouders verplicht zijn bij te dragen in de kosten van levensonderhoud en studie van meerderjarige kinderen tot 21 jaar, en daarna alleen indien het kind behoeftig is. De verzoekster had onvoldoende onderbouwd dat zij behoeftig was. Zij gaf geen inzicht in haar opleiding, studiekosten of eigen inkomsten, ondanks de gelegenheid daartoe.

Ook was onvoldoende aangetoond dat haar verdiencapaciteit was beperkt door zorg voor familieleden. De rechtbank vond het niet redelijk om de negatieve gevolgen van de thuissituatie op de vader af te wentelen. De moeder was inmiddels vrijgelaten uit detentie en er was geen medische of psychische belemmering aangetoond.

Daarom wees de rechtbank het verzoek af. De proceskosten werden ieder voor eigen rekening genomen vanwege de familierechtelijke relatie.

Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van alimentatie wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van de behoefte.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht
Zittingsplaats Almelo
zaaknummer: C/08/179644 / FA RK 15-2891
beschikking van de enkelvoudige familiekamer voor burgerlijke zaken d.d. 14 april 2016
inzake
[verzoekster ]
verder te noemen: [verzoekster ] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
verzoekster,
advocaat mr. B.A.M. Oude Breuil,
en
[verweerder]
verder te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 1] ,
verweerder,
advocaat mr. J. Keupink.

1.Het procesverloop

1.1.
De rechtbank heeft kennis genomen van de navolgende bescheiden:
- het verzoek met bijlagen, binnengekomen op 3 december 2015;
- het verweer, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, binnengekomen op 29 januari 2016.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 30 maart 2016. Ter zitting zijn verschenen en gehoord: partijen beiden bijgestaan door hun advocaat.

2.De feiten

2.1.
Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de man en [A] , verder te noemen: de vrouw, zijn geboren:
- [verzoekster ] , op [geboortedatum 1] te [woonplaats 2] , en
- [X] , geboren op [geboortedatum 2] te [woonplaats 1] .
2.2.
Bij beschikking van de rechtbank Almelo van 27 augustus 2008 is de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [verzoekster ] en [X] met ingang van 7 februari 2008 vastgesteld op € 68,- per kind per maand.
3.
Het verzoek
[verzoekster ] verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, de bij beschikking van de rechtbank Almelo van 27 augustus 2008 vastgestelde bijdrage in de kosten van haar verzorging en opvoeding te wijzigen en de bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie met ingang van 1 oktober 2015 nader vast te stellen op € 337,50 per maand, dan wel op een zodanig hoger bedrag en met ingang van een zodanig moment te bepalen als de rechtbank juist acht.

4.Het verweer

De man verzoekt de rechtbank [verzoekster ] in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel dit verzoek af te wijzen.

5.De beoordeling

De bijdrage in de kosten van levensonderhoud
De behoefte
5.1.
In geschil is de behoefte van [verzoekster ] aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie.
5.2.
De rechtbank stelt voorop dat ouders ingevolge artikel 1:395a van het Burgerlijk Wetboek (BW) verplicht zijn te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van hun meerderjarige kinderen die de leeftijd van een en twintig jaren niet hebben bereikt. Gelet op het bepaalde in artikel 1:392 lid 2 BW Pro geldt deze verplichting ook na het bereiken van voormelde datum, maar dan enkel in geval van behoeftigheid van de tot levensonderhoud gerechtigde. Van behoeftigheid is sprake als iemand in een situatie verkeert waarin hij onvoldoende eigen middelen heeft en deze ook in redelijkheid niet kan verwerven.
5.3.
Vast staat dat [verzoekster ] op [datum 1] de 21-jarige leeftijd heeft bereikt, zodat het, vide artikel 1:392 lid 2 BW Pro, op haar weg ligt om, bij betwisting door de man, haar behoeftigheid te onderbouwen. Hoewel daartoe ruimschoots in de gelegenheid geweest heeft [verzoekster ] verzuimd een onderbouwing van haar behoefte/behoeftigheid in het geding te brengen. Ook is door haar, behoudens een enkele mededeling aan het einde van de zitting, geen inzicht gegeven in welke opleiding zij volgt en wat de daaraan verbonden kosten zijn. Dit had, mede gelet op het door de man in zijn verweerschrift van 1 februari 2016 gevoerde verweer, wel mogen worden verwacht. Omdat zij geen enkel inzicht heeft gegeven in de hoogte van haar behoefte en de mate waarin zij daar zelf in zou kunnen voorzien, komt de rechtbank met de man tot het oordeel dat [verzoekster ] onvoldoende heeft onderbouwd dat zij behoefte heeft aan de door haar verzochte bijdrage. Dit geldt temeer nu van haar, gelet op haar leeftijd, mag worden verwacht dat zij, onafhankelijk van haar ouders, door arbeid voorziet in haar eigen levensonderhoud. Dat zij hiertoe thans niet in staat zou zijn is niet aangetoond. Weliswaar is gebleken dat zij gedurende een bepaalde periode de zorg voor haar nog minderjarige zusje ter hand heeft moeten nemen, maar onvoldoende is komen vast te staan dat dit haar verdiencapaciteit negatief heeft beïnvloedt. Evenmin is, gelet op de betwisting door de man, overtuigend aangetoond dat de zorg voor de broer van haar moeder belemmerend heeft gewerkt bij het verkrijgen van inkomen. Daarbij komt dat uit de veroordeling door de strafrechter blijkt dat deze situatie door [verzoekster ] en haar moeder zelf is veroorzaakt, zodat het niet redelijk is om de negatieve consequenties daarvan op de man af te wentelen. Omdat bovendien is gebleken dat de moeder sinds [datum 2] weer is ontslagen uit detentie, valt niet in te zien waarom [verzoekster ] niet in staat zou kunnen zijn om in eigen levensonderhoud te voorzien. Dat zij daartoe op grond van medische of psychische problematiek niet toe in staat zou zijn, is door haar op geen enkele wijze onderbouwd.
5.4.
Nu haar behoefte niet is komen vast te staan dient de rechtbank het verzoek van [verzoekster ] af te wijzen.
De proceskosten
5.5.
In de door de man aangevoerde omstandigheden wordt geen aanleiding gevonden om [verzoekster ] te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure. Gelet op de familierechtelijke relatie van partijen zal de rechtbank daarom bepalen dat elk van de partijen zijn eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De rechtbank:
I. wijst af het verzoek van [verzoekster ] tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud;
II. compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. T.M. Blankestijn en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2016 in tegenwoordigheid van S. van Eijk, griffier.
Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:
door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.