5.1Ten aanzien van het geschilpunt of sprake is van overtreding van de genoemde voorschriften, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht gewezen op de tekst, toelichting op en achtergrond van deze voorschriften.
Artikel 2, aanhef en onder c, van de vergunning vermeldt dat onder ‘Overig bedrijfsafvalwater’ wordt verstaan, het bedrijfsafvalwater ‘dat in hoofdzaak bestaat uit reinigings-, spoel- en schrobwater’.
Onder ‘Overwegingen’ in de vergunning van 23 maart 2004 staat dat het bedrijfsafvalwater bestaat uit spoelwater en reinigingsvloeistoffen van apparatuur en productieruimten, regeneratiewater van de onthardingsinstallatie en spoelwater van de ontijzeringsinstallatie, waarbij geldt dat ruim 90% van het overig bedrijfsafvalwater dat wordt geloosd reinigingsvloeistoffen bevat, met daarin opgelost productresten bestaande uit organische bestanddelen, onder andere melk en daaruit afgeleide bestanddelen.
In de onderliggende aanvragen van 2003 en 2007, onder punt 15, is toegelicht dat het ‘Overig bedrijfsafvalwater’ spoelwater betreft (15.1) en dat daarin verontreinigende stoffen kunnen voorkomen, die omschreven zijn als ‘restanten van het bedrijfsproces, melkresten, gist/smaakversterkers, reinigingsvloeistoffen, spoelwater’ (15.4). De verontreinigende stoffen komen voornamelijk van het reinigen van bedrijfsprocessen, maar ook van kleine hoeveelheden sanitairwater, van het laboratorium en van regeneratie van waterbehandelingsinstallaties (15.5).
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op grond hiervan terecht geconcludeerd dat uit de tekst, toelichting en achtergrond volgt dat artikel 2, aanhef en onder c, van de vergunning uitsluitend betrekking heeft op reinigings-, spoel en schrobwater, dat vrijkomt tijdens reinigingswerkzaamheden en waarin onvermijdbaar opgeloste productresten kunnen voorkomen. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat dit voorschrift ook het lozen van ‘spills’ toestaat, omdat dit geen restanten van het bedrijfsproces zijn die vrijkomen tijdens reinigingswerkzaamheden, maar pure grond- en hulpstoffen zijn, zoals melk, loog en vet, die op een andere manier in de bedrijfsafvalwater terechtkomen. Anders dan eiseres heeft betoogd, ziet de rechtbank in deze context evenmin aanleiding voor het oordeel dat aan de woorden ‘in hoofdzaak’ in artikel 2, aanhef en onder c, van de vergunning, zelfstandige waarde toekomt en dat daarmee is beoogd ruimte te bieden voor andersoortige lozingen, waaronder het lozen van ‘spills’. Verweerder heeft daarom terecht geconcludeerd dat het lozen van melk, loog en vet niet vergund is.
Met betrekking tot artikel 3, zevende lid, aanhef en onder c, van de vergunning heeft eiseres aangevoerd dat dit voorschrift eisen stelt aan het ‘Overig bedrijfsafvalwater’, zoals omschreven in artikel 2, aanhef en onder c, van de vergunning. Verweerder heeft daarom volgens eiseres ten onrechte gesteld dat het lozen van niet-vergund afvalwater ook tot overtreding van artikel 3, zevende lid, aanhef en onder c, van de vergunning kan leiden. De rechtbank volgt dit standpunt niet, omdat het standpunt berust op een onjuiste uitleg van het besluit. Verweerder heeft in het bestreden besluit, zoals nader toegelicht in het verweerschrift, eiseres verweten dat zij beide voorschriften, zelfstandig en naast elkaar, heeft overtreden. Enerzijds betreft dit het lozen van pure grond- en hulpstoffen, zoals melk, loog en vet, dat niet tot het overig bedrijfsafvalwater behoort. Anderzijds betreft dit het lozen van overig bedrijfsafvalwater, dat de vervuilingswaarde overschrijdt.
Voor de conclusie dat beide voorschriften zijn overtreden, heeft verweerder zich gebaseerd op meldingen van eiseres zelf. Uit het lozingenoverzicht, dat verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, heeft verweerder afgeleid dat de artikelen 2, aanhef en onder c en artikel 3, zevende lid, aanhef en onder c, van de vergunning beiden zijn overtreden. Eiseres heeft hierover gesteld dat het lozingenoverzicht geen juist beeld geeft, omdat het is gebaseerd op meldingen van eiseres zelf, waaronder lozingen die achteraf gezien wel vergund bleken te zijn. Alleen de melding van 16 april 2013, die het gevolg was van een storing, staat volgens eiseres voldoende vast, maar deze valt volgens haar onder het bereik van artikel 9, eerste lid, van de vergunning (de calamiteitenregeling). De rechtbank volgt dit betoog niet, reeds nu het aan eiseres was om verweerder van de juiste informatie te voorzien. Daarbij komt dat de rechtbank niet is gebleken dat eiseres op enig moment heeft gesteld en onderbouwd dat onjuiste meldingen zouden zijn gedaan. De rechtbank baseert dit oordeel op de diverse, bij de processtukken gevoegde toezichtrapporten naar aanleiding van meldingen en het bezwaarschrift van eiseres van 20 augustus 2013, waarin in ieder geval een aantal overtredingen (acht) expliciet is bevestigd.
De stelling van eiseres, dat alleen de melding van 16 april 2013, die het gevolg was van een storing, voldoende vaststaat, treft gelet op het voorgaande geen doel. Of het desbetreffende incident onder het bereik van artikel 9, eerste lid, van de vergunning valt, kan derhalve onbesproken blijven.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat sprake is van overtreding van zowel artikel 2, aanhef en onder c, van de vergunning, als artikel 3, zevende lid, aanhef en onder c, van de vergunning. Het beroep is in zoverre ongegrond.