Op 15 april 2014 deed de verdachte een valse bommelding bij de rechtbank te Groningen en plaatste hij een nepbom in een afvalbak voor het gebouw. Dit leidde tot ontruiming en stillegging van werkzaamheden, met aanzienlijke overlast tot gevolg.
De rechtbank Overijssel behandelde de zaak omdat de rechtbank Noord-Nederland zelf betrokken was. De verdachte bekende de feiten en toonde bereidheid tot medewerking aan reclassering en behandeling. De rechtbank verklaarde de rechtbank Noord-Nederland niet-ontvankelijk in haar vordering omdat deze geen rechtspersoonlijkheid bezit.
De rechtbank achtte de feiten wettig en overtuigend bewezen op basis van verklaringen, proces-verbalen en de bekennende verklaring van de verdachte. Gelet op de ernst van de feiten en het verleden van de verdachte legde de rechtbank een taakstraf van 200 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden op, met een proeftijd van twee jaar en reclasseringstoezicht.
De verdachte moet zich houden aan bijzondere voorwaarden waaronder het meewerken aan ambulante behandeling. De rechtbank hief tevens het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op en bepaalde dat de tijd in voorlopige hechtenis in mindering wordt gebracht op de taakstraf.