Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
- [A] ;
- [B] , verder de moeder te noemen;
- de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en
1.Het procesverloop
- moeder,
- mevrouw [C] , namens de Raad,
- mevrouw [D] , namens de GI.
Rechtbank Overijssel
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om het ouderlijk gezag van de moeder over het minderjarige kind [A] te beëindigen en de gecertificeerde instelling als voogd aan te stellen. Het kind is al ruim achtenhalf jaar uit huis geplaatst en woont in een AWBZ-instelling. De Raad stelde dat het gezag beëindigd moest worden omdat het kind een andere woonwens heeft dan de moeder en professionele begeleiding nodig heeft die de moeder niet kan bieden.
De moeder verzette zich tegen het verzoek en benadrukte het belang van het behouden van het gezag, mede vanwege de school en de toekomst van het kind. Het kind zelf gaf aan liever bij haar familie in het westen te willen wonen en de school af te maken, maar verwachtte dat de relatie met de moeder hierdoor slechter zou worden.
De rechtbank overwoog dat er binnen de huidige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing geen terugkeer naar de moeder wordt nagestreefd, maar dat onvoldoende is gebleken van een zodanige bedreiging van de ontwikkeling van het kind die een gezagsbeëindiging rechtvaardigt. De moeder gebruikt haar gezag op een goede wijze en werkt constructief samen met de hulpverlening. Het verzoek van de Raad werd daarom afgewezen omdat het niet in het belang van het kind is om het gezag te beëindigen.
Uitkomst: Het verzoek tot beëindiging van het ouderlijk gezag wordt afgewezen en het gezag blijft bij de moeder.