ECLI:NL:RBOVE:2015:3468
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verlenging verblijfsvergunning regulier arbeid vreemdeling
Eiser, een vreemdeling van Chinese nationaliteit, had een verblijfsvergunning regulier voor arbeid in loondienst die geldig was van 1 juni 2011 tot 26 augustus 2014. Hij vroeg op 22 augustus 2014 verlenging aan, maar deze aanvraag werd aanvankelijk niet in behandeling genomen vanwege niet-betaalde legeskosten. Na betaling werd de aanvraag inhoudelijk beoordeeld en negatief geadviseerd door het UWV vanwege prioriteit genietend aanbod.
Verweerder verlengde uiteindelijk de verblijfsvergunning slechts van 1 februari 2015 tot 1 februari 2016, maar wees het verzoek tot verdere verlenging af. Eiser stelde dat het besluit in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel en dat hij gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de oude regelgeving die een periode van drie jaar vrije toegang tot de arbeidsmarkt garandeerde. Tevens stelde hij dat het besluit in strijd was met het Handvest van de Grondrechten van de EU en Richtlijn 2011/98/EG, omdat het hem arbeidsvoorwaarden zou ontzeggen die gelijkwaardig zijn aan die van EU-burgers.
De rechtbank oordeelde dat de wijzigingen in de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) onmiddellijke werking hebben en dat verweerder het juiste toetsingskader heeft toegepast. Er was geen sprake van gerechtvaardigd vertrouwen in de oude regeling, mede omdat het wetsvoorstel tot wijziging reeds in 2012 aan de Tweede Kamer was gezonden. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigden. Verder stelde de rechtbank dat het geschil niet ging over arbeidsvoorwaarden, maar over toelatingsregels voor vreemdelingen, waardoor geen strijd met het Handvest of de Richtlijn bestond.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Tevens werd opgemerkt dat een gelijktijdige aanvraag op basis van het Convenant Aziatische Horeca 2014 wel was ingewilligd. De uitspraak werd gedaan door rechter Esmeijer in aanwezigheid van griffier ten Cate en is vatbaar voor hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag tot verlenging van de verblijfsvergunning regulier arbeid wordt ongegrond verklaard.