Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.De procedure
- het tussenvonnis van 23 juli 2014 en de daarin genoemde processtukken,
- de aanvullende producties zijdens eiseres,
- het proces-verbaal van comparitie van 13 november 2014,
Rechtbank Overijssel
De zaak betreft een geschil tussen twee zussen over de verdeling van de nalatenschap van hun overleden zus, die in 2009 overleed. Eiseres stelt dat een betaling van €10.100 door gedaagde aan de overledene een terugbetaling van een geldlening betreft, waardoor dit bedrag tot de nalatenschap behoort. Gedaagde betwist dit en stelt dat zij juist het bedrag aan de overledene heeft geleend, zodat zij dit bedrag uit de nalatenschap tegoed heeft.
De rechtbank stelt vast dat de overige erfgenamen akkoord zijn met de voorgestelde verdeling, ongeacht de uitkomst van deze procedure. De kern van het geschil is de vraag of de betaling een terugbetaling van een lening is of een lening aan de overledene. Beide partijen presenteren verklaringen en bankafschriften ter onderbouwing, maar deze bieden onvoldoende duidelijkheid.
De rechtbank oordeelt dat eiseres, die de stelling hanteert dat sprake is van een terugbetaling, de bewijslast draagt om dit te bewijzen. Daarom wordt eiseres opgedragen bewijs te leveren door middel van bewijsstukken, getuigenverklaringen of andere bewijsmiddelen. De zaak wordt aangehouden tot 4 maart 2015, wanneer eiseres moet aangeven hoe zij het bewijs wil leveren. Tevens worden regels gesteld voor het oproepen van getuigen en het overleggen van bewijsstukken.
De rechtbank wijst erop dat het verhoor van getuigen gemiddeld 60 minuten duurt en dat de namen en beschikbaarheid tijdig moeten worden opgegeven. Het vonnis is gewezen door mr. A. Skerka en op 18 februari 2015 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Eiseres moet bewijzen dat de betaling van €10.100 een terugbetaling van een geldlening betreft; zaak aangehouden tot bewijslevering.