Eisers werden geconfronteerd met een last onder dwangsom opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg wegens het hinderlijk houden van (sier)vogels op hun perceel. De last onder dwangsom werd opgelegd op 25 juli 2013 en stelde eisen om de overlast te beëindigen, met een dwangsom van €100 per week tot maximaal €2.500.
Na bezwaar verklaarde het college op 31 maart 2014 het bezwaar gegrond en trok de last onder dwangsom in. Eisers stelden echter dat het besluit onduidelijk was en dat zij schade hadden geleden door het verwijderen van volières en verkoop van vogels. Zij vorderden een schadevergoeding van €10.695.
De rechtbank oordeelde dat de last onder dwangsom onvoldoende specifiek was opgelegd en dat het besluit van 25 juli 2013 herroepen had moeten worden in plaats van ingetrokken. Hierdoor bestond recht op schadevergoeding voor de materiële schade die eisers hadden geleden, waaronder de lagere verkoopprijs van papegaaien en parkieten en afbraak van een tuinhuisje. De schadevergoeding werd begroot op €2.920.
De rechtbank veroordeelde het college tot vergoeding van deze schade, de proceskosten van €735 en het griffierecht van €165. Het beroep tegen het bestreden besluit werd ongegrond verklaard omdat het besluit in rechte niet meer bestond.