5.3De bewijsoverwegingen van de rechtbank
Op 24 november 2012 is de echtgenoot van verdachte, medeverdachte [medeverdachte], in Sneek aangehouden ter zake van diefstal gevolgd door geweld. Vervolgens heeft op 25 november 2012 een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van verdachte, waarbij onder andere een contant geldbedrag van in totaal € 7.200,-- is aangetroffen. Dit geld is op drie verschillende plekken in de woning aangetroffen en is in beslag genomen.
Verdachte woont samen met haar echtgenoot, [medeverdachte], in een huurwoning aan de [adres] te [woonplaats]. [medeverdachte] heeft een WAO uitkering van ongeveer € 1.400,-- per maand en verdachte heeft geen inkomen. Verdachte heeft justitiële documentatie op het gebied van winkeldiefstallen.
Naar aanleiding van voormelde situatie is vervolgens een strafrechtelijk onderzoek ingesteld naar het medeplegen van gewoontewitwassen door verdachte en haar man [medeverdachte].
Dit onderzoek bevat onder meer onderzoek naar de financiële omstandigheden van verdachte, gedurende de periode van 1 januari 2008 tot en met 12 april 2013.
Uit dit financieel onderzoek blijkt dat verdachte is gehuwd met [medeverdachte] en dat hun meerderjarige zoon gedurende een deel van die periode bij hen heeft ingewoond.
Het strafrechtelijk financieel onderzoek bevat tevens een berekening volgens de – zogenoemde - eenvoudige kasopstelling, waarmee via eenvoudige wijze getracht wordt inzicht te geven in de contante geldstromen van verdachte gedurende de onderzoeksperiode. Uit deze eenvoudige kasopstelling is in het kader van eerder genoemd onderzoek geconcludeerd dat verdachte in de onderzoeksperiode aanzienlijk meer geld in contanten aanwezig heeft gehad en heeft uitgegeven dan dat zij uit legale bron heeft ontvangen.
Op 12 april 2013 heeft een tweede huiszoeking bij verdachte plaatsgevonden waarbij onder andere een contant geldbedrag van € 14.545,-- is aangetroffen. Dit bedrag is in beslag genomen.
Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat de contante geldbedragen in haar woning afkomstig zijn uit meerdere erfenissen die zij samen met haar man (medeverdachte [medeverdachte]) in de jaren ’80 en ’90 heeft ontvangen, uit de verzekering van de inboedelverzekering van ruim Fl 40.000,- en uit teruggaven van de belastingdienst. Deze laatste geldbedragen zijn contant gemaakt door opnames van de bankrekening en vervolgens op diverse plaatsen in de woning gelegd, aldus verdachte. Daarnaast heeft verdachte meerdere jaren € 300,-- per maand aan kostgeld van haar zoon ontvangen en heeft verdachte verklaard dat zij zeer zuinig met geld om kan gaan.
Ter beoordeling ligt thans de vraag voor, of verdachte schuldig is aan gewoontewitwassen, doordat zij geldbedragen heeft verworven, voorhanden heeft gehad, overgedragen, omgezet, dan wel daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist dat die geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf.
De rechtbank stelt vast dat uit de berekening volgens de eenvoudige kasopstelling volgt dat verdachte in de ten laste gelegde periode meer contant geld in haar bezit heeft gehad en heeft uitgegeven dan dat zij aan reguliere inkomsten aan uitkering van haar echtgenoot en kostgeld heeft ontvangen.
Uit de in het dossier voorhanden zijnde bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank echter niet ondubbelzinnig dat dit contante geld uit enig misdrijf afkomstig is.
Hoewel het scenario van verdachte omtrent de herkomst van de contante gelden in de periode van 1 januari 2008 tot en met 12 april 2013 weliswaar een zekere mate van bevreemding wekt, is dit scenario anderzijds niet van zodanige aard dat het, in het licht van de thans voorhanden zijnde bewijsmiddelen, geheel is uit te sluiten. Enig doorslaggevend bewijsmiddel, in combinatie met genoemde feiten en omstandigheden, ontbreekt voor het verwijt dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn, zodat naar het oordeel van de rechtbank het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd.
Gelet op het hiervoor overwogene komt de rechtbank dan ook tot de slotsom dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.