ECLI:NL:RBOVE:2014:6129

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
6 november 2014
Publicatiedatum
20 november 2014
Zaaknummer
AWB 14/6379 (verzet)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
  • W.F. Bijloo
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 3 EVRMArt. 13 EVRMRichtlijn 2011/95/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen ongegrondverklaring beroep in vreemdelingenzaak inzake overdracht aan Italië

In deze bestuursrechtelijke procedure heeft opposant verzet ingesteld tegen de uitspraak van 27 augustus 2014, waarbij de rechtbank het beroep ongegrond verklaarde met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het verzet betreft de vraag of de rechtbank ten onrechte tot een vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens kennelijke ongegrondheid van het beroep.

De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen grond bestaat om aan te nemen dat door de overdracht aan Italië een situatie ontstaat die strijdig is met artikel 3 of Pro 13 EVRM. Tevens is vastgesteld dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet onterecht is toegepast. De rechtbank heeft verder overwogen dat de richtlijn 2011/95/EU rechtstreekse werking heeft, en dat prejudiciële vragen hierover niet nodig zijn. Ook is geoordeeld dat de vraag of opposant slachtoffer is van mensenhandel niet in deze procedure hoeft te worden beantwoord, en dat opposant geen gezinslid is in de zin van de Verordening.

Opposant stelde in het verzet dat de rechtbank te gemakkelijk oordeelde over de rechtstreekse werking van de richtlijn, en dat de verwijzingen naar eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State niet relevant waren voor het beoordelingsmoment. Tevens werd gewezen op onjuiste verwijzingen naar de Vreemdelingencirculaire 2000 en werd betoogd dat het toewijzen van een voorlopige voorziening op 17 juni 2014 betekende dat het beroep niet op grond van artikel 8:54 Awb Pro had mogen worden afgedaan.

De rechtbank oordeelde dat het verzet geen nieuwe gronden bevatte die betrekking hadden op de toepassing van artikel 8:54 Awb Pro, en dat het verzet daarom niet tot een ander oordeel kon leiden dan de eerdere uitspraak. Het verzet werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzet tegen de ongegrondverklaring van het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 14/6379 (verzet)

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[opposant],

geboren op [geboortedag] 1991,
van Eritrese nationaliteit,
V-nummer [v-nummer], opposant,
(gemachtigde: mr. N.C. Blomjous),

Procesverloop

Bij uitspraak van 27 augustus 2014 heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep ongegrond
verklaard. Daartegen is verzet gedaan.
Het verzet is ter zitting van 30 oktober 2014 behandeld. Opposant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens is mr. P.A.L.A. van Ittersum verschenen namens de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Overwegingen

1. Verzet, als bedoeld in artikel 8:55 van Pro de Awb, betreft uitsluitend de vraag of de rechtbank ten onrechte tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens – in dit geval – de kennelijke ongegrondheid van het beroep. ‘Kennelijk’ betekent dat over de uitkomst van de procedure in redelijkheid geen twijfel mogelijk is.
2. Het beroep is ongegrond verklaard omdat er geen grond bestaat voor het oordeel dat door de overdracht van eiser aan Italië een situatie zal ontstaan die met artikel 3 dan Pro wel 13 van het Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdig is en verweerder om die reden niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit heeft mogen gaan. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat richtlijn 2011/95/EU weliswaar niet geïmplementeerd was in Italië, maar er is sprake rechtstreekse werking. Om die reden zullen er ook geen prejudiciële vragen hieromtrent worden gesteld. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de vraag of sprake is van een situatie waarin eiser slachtoffer is geworden van mensenhandel niet in deze procedure hoeft te worden beantwoord. Ook is geoordeeld dat eiser geen gezinslid is in de zin van de Verordening en behoefde om die reden zijn vader niet te worden gehoord. Tenslotte is overwogen dat een beroep op artikel 8 van Pro het EVRM gelet op de jurisprudentie niet kan slagen.
3. Opposant heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de conclusie die de rechtbank in rechtsoverweging 5.1 heeft overwogen met betrekking tot de rechtstreekse werking van richtlijn 2011/95/EG te makkelijk is getrokken. Verder heeft de rechtbank de beoordeling van de vraag of er sprake is van een structurele tekortkoming in de procedure in Italië niet mogen afdoen met een verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 26 februari 2014 en 1 juli 2014. Deze uitspraken zien niet op het beoordelingsmoment zoals van belang in deze procedure. Ook ten aanzien van de kwetsbare positie van opposant heeft de rechtbank ten onrechte verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 5 september 2012. Voorts heeft de rechtbank met betrekking tot het gestelde over het slachtoffer zijn van mensenhandel ten onrechte verwezen naar paragraaf B9/3 en B14 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Paragraaf B9/3 ziet op verblijfsvergunningen met als doel een medische behandeling en paragraaf B14 bestaat niet. Voorts heeft eiser nogmaals gewezen op het reeds door hem gestelde met betrekking tot artikel 8 van Pro het EVRM en artikel 2, onder g, van de Verordening. Tenslotte heeft het opposant verbaasd dat er wederom een oordeel is geveld over de voorlopige voorziening die reeds is toegewezen op
17 juni 2014. Het toewijzen van de voorlopige voorziening houdt naar de mening van opposant in dat het beroep niet met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb had mogen worden afgedaan.
4. De rechtbank is van oordeel dat opposant in het verzetschrift en ter zitting geen gronden heeft aangevoerd die betrekking hebben op de toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb. Hetgeen in het verzetschrift is aangevoerd, ziet op een inhoudelijke beoordeling van de zaak en op (kennelijke) verschrijvingen die middels een verzoek om een hersteluitspraak kunnen worden hersteld indien daartoe aanleiding zou worden gezien. Nu in verzet geen inhoudelijke beoordeling van de zaak plaatsvindt, heeft het verzet de rechtbank niet tot een ander oordeel geleid dan hetwelk is neergelegd in de uitspraak van 27 augustus 2014.
5. Het verzet is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.F. Bijloo, rechter, in aanwezigheid van D.K. Bloemers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.