Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
Overwegingen
Ter onderbouwing wijst eiser op het volgende. Hij is zijn onderneming geleidelijk aan het staken, namelijk via de weg van langlopende liquidatie. Hij wijst er op dat hij een geheel quotum overdraagt. Oorspronkelijk bestond zijn bedrijf uit drie onderdelen; een pluimveebedrijf, een mestvarkensbedrijf en een melkveebedrijf. De melkquota en de pluimveerechten zijn in de afgelopen jaren reeds verkocht. In 2011 heeft eiser de helft van zijn varkensrechten verkocht, namelijk 500 varkensrechten. Deze verkoopwinst bedroeg
€ 60.615. Voor de bij de verkopen behaalde winst werd een fiscale herinvesteringsreserve gevormd. Die reserve viel in 2010 vrijten gunste van de winst omdat vanwege de staking niet langer aan de handhavingsvoorwaarde voor de reserve werd voldaan. De reserve kan slechts in stand blijven zolang er sprake is van een vervangingsvoornemen.
Eiser wijst voorts op het Besluit van 13 oktober 2012 van het Ministerie van Financiën (hierna: het Besluit). Hierin wordt vermeldt dat:”(…)
Gelet op deze uitleg van de Hoge Raad is het niet bezwaarlijk als een geheel quotum wordt overgedragen, de overdracht aan te merken als een staking van een deel van de onderneming”.
.Voorts blijkt uit het procesdossier dat de herinvesteringsreserve vrij is komen te vallen omdat bij eiser niet langer het voornemen bestaat tot investering. In 2011 is nogmaals 500 van de varkensrechten verkocht, waarna nog 500 varkensrechten resteren. De rechten zijn dan ook gehalveerd.
Verweerder had gelet op het voorgaande ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Inkomensbesluit WAZ in samenhang met artikel 3.78, derde lid, aanhef en onder b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 de met de verkoop van de varkensrechten behaalde winst als stakingswinst moeten aanmerken.