Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het verloop van de procedure
2.De standpunten van de veroordeelde en de officier van justitie
3.De ontvankelijkheid
4.De beoordeling
bijzondere voorwaardenhet gedrag van de veroordeelde betreffende zijn gesteld:
Rechtbank Overijssel
De verzoeker is bij vonnis van 30 mei 2013 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 60 dagen met een proeftijd van twee jaar, met diverse algemene en bijzondere voorwaarden waaronder medewerking aan reclasseringstoezicht en behandeling voor verslavingsproblematiek.
Op 16 juli 2014 verzocht het Openbaar Ministerie de rechter-commissaris om voorlopige tenuitvoerlegging van deze straf wegens verdenking van een nieuw strafbaar feit. De rechter-commissaris verleende dit bevel op 17 juli 2014. De verzoeker diende vervolgens op 24 juli 2014 een verzoek in tot opheffing van dit bevel, dat op 13 augustus 2014 werd behandeld.
De politierechter oordeelt dat het verzoek ontvankelijk is, maar wijst het af. De politierechter stelt vast dat er ernstige redenen zijn om te vermoeden dat de verzoeker de voorwaarden van de proeftijd heeft geschonden door zich opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast staat artikel 22b lid 2 Sr een omzetting naar taakstraf in deze zaak in de weg vanwege eerdere soortgelijke veroordelingen.
De politierechter concludeert dat het bevel tot voorlopige tenuitvoerlegging gerechtvaardigd is en dat het verzoek tot opheffing daarom moet worden afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige tenuitvoerlegging wordt afgewezen.