Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.[eiser 1],
[eiser 2],
[eiser 3],
1.De procedure
- het tussenvonnis van 12 maart 2014
- het proces-verbaal van comparitie van 13 mei 2014.
2.De feiten
In 2010 is door Nuffic de waardering van het (I)GCSE aangepast. Vóór 2010 werd het IGCSE in 6 vakken met een score van A*, A, B of C vergeleken met een havo-diploma. Vanaf 2010 werd enkel een (I)GCSE niet als voldoende vergelijkbaar met een havo-diploma beschouwd. Sinds januari 2010 hanteert de Nuffic voor een vergelijking met een havo-diploma: een IGCSE in vier vakken A*, A, B of C + General Certificate of Education (GCE) met twee vakken op advanced subsidiary (A/S) level (in 6 verschillende vakken). Hiermee liggen onze eisen t.a.v. een vergelijking met een havo-diploma lager dan de minimale eisen voor toelating tot hoger onderwijs in het Verenigd Koninkrijk. Binnen het Britse systeem volgen de examens voor het GCS A/S level normaliter 1 jaar na de examens voor het GCSE.
IGCSE has been recognized bij many countries as equivalent to their own national examinations. The system is recognized as equivalent to the GCSE in Britain and under conditions to HAVO in the Netherlands.
Voor zover “Eerde” haar aansprakelijk voor schade niet heeft uitgesloten, wordt haar aansprakelijkheid beperkt tot een maximumbedrag van € 250,-- voor iedere gebeurtenis en/of ieder geval.
3.Het geschil
4.De beoordeling
Terzake de waarde van het IGCSE-diploma is niet in geschil dat het Nuffic deze begin 2010 heeft aangepast en dit bekend heeft gemaakt via haar website. Voorts kan worden vastgesteld dat - naar door [eisers] is aangevoerd en door ISE niet gemotiveerd is weersproken - dat partijen in de kerstvakantie van 2010 hebben gesproken over het IGCSE-diploma alsmede over de waarde daarvan. Als niet gemotiveerd betwist kan er van uit worden gegaan dat [eisers] aan [naam 1] en [naam 2] vragen heeft gesteld over de in de brochure genoemde voorwaarden en dat deze vragen zijn beantwoord als door [eisers] is aangegeven. Dat de genoemde voorwaarden zien op de waardering door Nuffic, zoals ISE heeft betoogd, kan zonder nadere toelichting welke evenwel ontbreekt, niet worden gevolgd. Dit blijkt ook niet uit de formulering in de brochure.
ISE heeft zich weliswaar op het standpunt gesteld dat het vanaf het begin de bedoeling is geweest dat [eiser 3] na het behalen van het IGCSE-diploma zou doorstromen naar het IB, maar is in gebreke gebleven deze stelling te onderbouwen met feiten en omstandigheden. Dit betekent dat ISE op dit punt niet aan de stelplicht heeft voldaan en deze stelling geen nadere bespreking behoeft.
Anders dan ISE meent is van dwaling omtrent een toekomstige omstandigheid geen sprake. Ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst had het Nuffic de waardering immers al gewijzigd.
[eisers] heeft deze onderverdeling van schoolkosten niet weersproken zodat deze tot uitgangspunt zal worden genomen.
Met betrekking tot de kosten van boarding acht de rechtbank termen aanwezig de kosten van levensonderhoud, die [eisers] had gehad als [eiser 3] gewoon thuis zou hebben gewoond, in mindering te brengen op het bedrag van € 31.540,00. Bij begroting van de besparing zou bijvoorbeeld gebruik kunnen worden gemaakt van normbedragen als van het NIBUD. De rechtbank zal de zaak dan ook verwijzen naar de rol teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich daarover uit te laten.
In het geval hij voor het VWO-traject zou hebben gekozen zou hij immers nog 3,5 jaar bezig zijn geweest alvorens hij zou kunnen worden toegelaten tot een universiteit. Thans volgt hij een traject (IGCSE + 2 jaar IB) dat eveneens in 3,5 jaar naar een universitaire toelating leidt. Van studievertraging ten gevolge van de dwaling is derhalve geen sprake.
5.De beslissing
woensdag 23 juli 2014voor akte uitlaten door beide partijen als bedoeld in rechtsoverweging 4.7. De zaak zal vervolgens worden verwezen naar de rol van
woensdag 6 augustus 2014voor antwoordakte uitlaten door beide partijen.