Eiseres, een schoonmaakbedrijf, kreeg een boete van €32.000 opgelegd wegens het laten werken van vier Bulgaarse vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning. De vreemdelingen werkten via een tussenpersoon die failliet ging. Eiseres betoogde dat zij niet als werkgever kon worden aangemerkt omdat de Bulgaren als zelfstandigen werkten, maar de rechtbank oordeelde dat sprake was van een gezagsverhouding en dus werkgeverschap.
Daarnaast stelde eiseres dat de boete onevenredig was omdat zij in een keten van beboete bedrijven zat en de boetes van andere bedrijven aan haar waren doorbelast, waardoor zij in totaal €136.000 betaalde, meer dan vijf keer de eigen boete. De rechtbank vond dat de doorbelasting en de hoge totale last onevenredig waren en vernietigde het boetebesluit.
De rechtbank stelde de boete op nihil en veroordeelde de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in de proceskosten. Het arrest benadrukt het belang van het evenredigheidsbeginsel bij boetebesluiten en erkent de problematiek van ketenboetes die tot buitensporige lasten kunnen leiden.